Rotterdam als tekst & politiek als poëzie

16-7-2015 12:34

Door Gastauteur

De Rotterdamse dichter-politicus Manuel Kneepkens over de geschiedenis, de onderlinge chemie en de toekomstperspectieven van door poëzie geïnspireerde politiek. ‘Rotterdam heeft met zijn “verhaal”-kant een probleem dat andere steden niet kennen.' Lezenswaardig essay!

Men kan de troostende functie van de poëzie roemen. Men kan ook haar subversieve karakter vrezen. Dat deed Plato, die dichters (en musici) uit zijn Modelstaat bande. Vanuit zijn (totalitair) oogpunt bezien niet ten onrechte.

Want tot in onze tijd toe hebben heel wat totalitaire regimes de kracht van de dichtkunst en de dichter moeten ondervinden en zijn er, zowaar,  enkelen aan onderdoor gegaan. Denk bijvoorbeeld aan Vaclav Havel en de ‘Fluwelen revolutie’ in voormalig (socialistisch) Tsjechoslowakije.

De filosoof Adorno daarentegen wilde op heel andere reden de poëzie verbannen. Volgens hem kon (en mocht) er na Auschwitz geen poëzie meer geschreven worden. Zelf zie ik dat anders. Juist na Auschwitz dient er meer dan ooit poëzie te worden geschreven. Want de poëzie is in mijn ogen een humanisme. We moeten ons bestaan nooit en te nimmer laten bepalen door die ‘Mörder unter uns’.

Kortom, poëzie zie ik als contemplatieve politiek. Politiek als actieve poëzie. Anders gezegd: poëzie is in de eerste plaats weliswaar een talige activiteit, een schrijfdaad, een activiteit op papier , maar… daar mag het niet bij blijven, ..de poëzie is òòk een levenshouding …en dus uiteindelijk met maatschappelijke en zelfs politieke consequenties!

Dat is niet nieuw. In  de negentiende eeuw noemde Shelley de dichter de (niet erkende) wetgever van de wereld. In die traditie – het dichterschap  niet alleen als talige activiteit maar tevens als een levenshouding - voel ik mij thuis.

Maar, en nu komt de hamvraag,  hoe is het de poëet-politicus tot dusver vergaan?

De twintigste eeuw heeft twee experimenten op het terrein van de poëtische politiek gekend, beiden vlak na de Eerste Wereldoorlog.

Eén: de kortstondige radenrepubliek Beijeren. Litteratenrepublik genaamd omdat daar  prominent aan deelnamen twee (anarchistische) literatoren, te weten Erich Mühsam en Gustav Landauer, plus ook nog eens de schrijver Ernst Toller, een onafhankelijke communist. De Litteratenrepublik heeft helaas maar kort bestaan. Intern ondermijnd door de Moskou-getrouwe KPD-communisten en van buiten door het optreden van het Freikorps Ritter von Epp, dat de ‘opstand’  bloedig neersloeg.

Twee: de zogenaamde Republiek van Carnaro  waarvan de Grondwet … jawel… een gedicht was! Die republiek werd gesticht door de Italiaanse dichter en dandy  Gabriele d'Annunzio in de stad Fiume, nu Rijeka (Kroatië), door hem eigenhandig met een particulier legertje, de Arditi, veroverd. Ook die republiek heeft maar kortstondig bestaan. De Vrijstaat Carnaro heeft indirect de  idee van  poëet-politicus  in diskrediet gebracht, niet zozeer omdat deze vrijstaat letterlijk een vrijstaat was (de Vrije liefde werd er enthousiast en in het openbaar beoefend, zowel door homo- als door heteroseksuelen, en wel zodanig dat een apart ziekenhuis moest worden opgericht voor geslachtsziekte), maar vooral vanwege Mussolini, die voor zijn jonge  fascistische beweging veel van de ‘anarchofascist’ d’Annunzio overnam, zoals de eindeloze balkontoespraken, diens lijfspreuk vivere pericolosamente (een letterlijke vertaling van Nietzsche’s gefährliches leben). De titel Duce en…. de gepolijste kale kop; zowaar valt daar een vage (?)  reminiscentie met de italofiel Pim Fortuyn  te bespeuren.

Samen met de anarchist Hans Ramaer heeft ondergetekende in 1993, ondanks dit alles, nog eens een poging gewaagd om  poëtische politiek bedrijven door het stichten van een heuse, poëtische partij: de Stadspartij  Rotterdam. Met enig (tijdelijk) succes. De partij kwam met twee zetels in de Rotterdamse gemeenteraad. Maar is daar in 2006 weer uit verdwenen.

Als poëet-politicus keek ik naar de stad als naar een tekst. Wat is er goed aan die tekst? Wat moet behouden blijven? Wat moet veranderd? Wat ontbreekt er?

Als men de stad - in dit geval Rotterdam – als tekst  ziet, dan kan dat grosso modo

op twee manieren, ‘de stad als verhaal’ en ‘de stad als gedicht’. (In Italo Calvino’s boek de onzichtbare steden wordt de stad beschreven als poëzie.)

In mijn concept ‘de stad als verhalend gedicht’, gaan die twee visies moeiteloos in elkaar over.

Rotterdam  heeft met zijn ‘verhaal’-kant een probleem, dat andere steden niet kennen. Het heeft geen Oude Kern. Dat komt door het Bombardement en de keuze

gemaakt na de oorlog om Rotterdam ‘weder op te bouwen’ als een ‘Amerikaanse stad'. Daardoor is zeer veel geschiedenis van Rotterdam in het luchtledige verdwenen. De Stadspartij zag het onder meer als haar taak om Rotterdam zoveel mogelijk zijn geschiedenis terug te geven. Het Brandgrens-project is daarvan het duidelijkste voorbeeld. Dat wat de verhaalkant betreft.

Het Marten Toonder-monument (‘Het Bommelding’), De Bint-plaquette

in de Saftlevenstraat, de Kunsthalte (de tramhalte bij het Museumkwartier) en het helaas niet tot stand gekomen Pietje Bell-monument op de Mariniersweg, gaan al meer de kant van de poëzie op. Die ontwikkeling vond  haar hoogtepunt in het leggen van haiku-tegels in de Karel Doormanstraat. De motie Stadsdichter ligt in het verlengde. Sindsdien heeft Rotterdam een Stadsdichter.

Wat de toekomst betreft, die diende volgens Ramaer en mij groen en duurzaam te zijn. Een stad moet in de postmoderne, ecologische tijd groen zijn of zij zal niet zijn. Maar dit  groen en duurzaam worden van  Rotterdam blijkt toch vooral een proces van bottom up.

Groene Poëzie moet Rotterdam gaan veranderen. En uiteraard,  heel Nederland!

Manuel Kneepkens

Afbeelding / www.playbuzz.com

 

Rubriek Gastbijdrage

Gastauteur

We vragen met enige regelmaat aan bekende of minder bekende Rotterdammers om een bijdrage te leveren aan Stadslog. Of dergelijke Rotterdammers komen zèlf met relevante stukk...

Bekijk profiel