Bureaucratie hóudt van armoede

22-7-2014 12:35

Door Hans van Willigenburg

De (Rotterdamse) bureaucratie houdt van procedures, van vergaderen, van financiële regelingen en van blinkende kantoren waar de armoede zo weinig mogelijk in doordringt. Allemaal zaken die de armoede, in essentie, ongemoeid laten en de wérkelijke taak voor zich uit schuiven: inzetten op gedragsverandering. 

 

Aflevering 2: als je de stress niet aanpakt, pak je de armoede niet aan

 

In het eerste artikel van deze serie, ‘Rotterdam laat armoede ongemoeid’, is aan de hand van een paar nuchtere cijfers gebleken dat de jaar na jaar gehandhaafde miljoeneninvesteringen van de stad in armoedebeleid het aantal armen niet heeft teruggedrongen. Als je de conclusie dat al dat belastinggeld dus zinloos is weggespoeld té hard vindt, is het enige positieve dat je aan zulk beleid kunt ontdekken de voor niet-armen prettige illusie dat er al die tijd ‘iets aan gedaan is’, dat we als stad de ergste uitwassen ervan hebben geprobeerd weg te masseren. Zodat de armen, onze armen, zoals dat heet, ook ‘een menswaardig bestaan’ kunnen leiden (wat dat ‘menswaardig’ dan ook moge betekenen). En we naar buitenlandse bedrijven kunnen ‘communiceren’ dat als ze naar Rotterdam verhuizen ze, dankzij het armoedebeleid, niet met ál te mensonterende toestanden worden geconfronteerd.

 

Deze denkwijze gaat er niet alleen vanuit dat armoede altijd zal bestaan en dat zij die arm zijn afhankelijk zullen zijn (en blijven!) van de ruimhartige goedertierenheid van de niet-armen, ze blinkt uit in de afwezigheid van daadwerkelijke interesse in de personen die arm zijn en de situatie waarin zij verkeren. En in het ontbreken van enige ambitie om hun situatie – anders dan met tijdelijke lapmiddelen – in reële zin te verbeteren. Terwijl de succesvolle (en wetenschappelijk beproefde) methodieken om dat laatste doel te bereiken, voor het oprapen liggen! (Daar komen we later in deze serie op terug.) 

 

De ontkenning lééft                                                                                           Om aan te geven hoe hardnekkig een welvaartsstaat als Nederland het eigen armoedeprobleem ontkent, hierbij een simpel voorbeeld. Toen ik onlangs met een als progressief bekend staande directeur van een grote culturele instelling hier in Rotterdam, ongetwijfeld voorzien van een bovengemiddeld salaris en een dito huis, tijdens een gedachtewisseling het verschijnsel ‘armoede’ ter sprake bracht, reageerde de directeur met een meewarig lachje: ‘Armoede? In Nederland? Dat bestaat niet écht.’ Deze reactie is kenmerkend voor hoe er in Nederland, en ook in Rotterdam, nog altijd tegen armoede wordt aangekeken: als een betreurenswaardig, sociaal economisch te definiëren bijverschijnsel, dat je met een schep geld van zijn scherpe kantjes kunt ontdoen, waarna het heet dat er binnen de stads- of landsgrenzen ‘geen échte armoede’ meer bestaat. Waarbij dan ook nog vaak moraliserend wordt verwezen naar andere plekken op de wereld ‘waar het veel slechter is’.

 

‘Armoede heeft een functie'                                                                             Voeg daarbij het aloude argument dat het bestaan van armoede een functie heeft (we zouden niet zonder kunnen), dat het de niet-armen aanzet tot hard werken om bij het hellevuur van de schandelijke armoede vandaan te blijven, en het is ineens verklaarbaar waarom een stad (en een heel land) grif bereid is jaarlijks miljoenen te besteden aan armoedebeleid zonder het begin van een idee te hebben over hoe de armen structureel uit hun benarde situatie te helpen. En dat terwijl alle wetenschappelijke literatuur erop wijst dat armoede – nogmaals – hoofdoorzaak is bij schooluitval, leerachterstanden, criminaliteit en ongewenste zwangerschap. En dat armoede zich, helaas, gedraagt als ‘erfelijk’, dat wil zeggen: armoede heeft de neiging zichzelf generatie na generatie na generatie te reproduceren. Redenen genoeg, zou je zeggen, om armoedebestrijding effectiever aan te pakken (beter gezegd: ermee te beginnen). Zeker als je weet dat het gros van de torenhoge, maatschappelijke kosten (uitkeringen, zorg, politie, justitie, veiligheid) direct of indirect gerelateerd is aan het blijvende bestaan van armoede.   

 

Comfort zone                                                                                                       Het is echter verleidelijk voor de bureaucraten om in hun ‘comfort zone’ te blijven zitten, bedragen voor armoedebeleid te blijven reserveren en zodoende de eigen ‘doelgroep’ in stand te houden (en daarmee de ‘dure’ problemen voor de belastingbetaler). Zou dat de reden zijn waarom in Rotterdam nu weer een nieuw model wordt losgelaten in de vorm van zogeheten ‘wijkteams’, die, lees dit artikel er maar op na, tóch weer blijkt te bestaan uit zakjes geld om in noodgevallen bijvoorbeeld snel een ‘nieuwe koelkast’ – het staat er écht! – te kunnen invliegen. Niet dat een koelkast geen waardevolle bijdrage zou kunnen zijn bij het helpen van een arm gezin, maar hoogstens als een beginnetje, niet, zoals hier gepresenteerd, als het eindstation van wat zich vriendelijk en gezellig presenteert als een ‘maatwerkbudget’. De simpele waarheid is namelijk: met een koelkast los je de armoede in een gezin niet op! Zelfs niet als je er een TV, een oven, een iPad en een weekendtrip erbij cadeau geeft! Iedereen begrijpt dat. Maar – zo lijkt ‘t – niet de overheid.

 

Weg uit de vicieuze cirkel                                                                                 De enige manier om uit deze vicieuze cirkel van belastinggeldverspilling, wegkijken en pseudo-oplossingen te ontsnappen, is je oor te luister leggen bij de wetenschap en je te verdiepen in de methodieken die bewezen hebben mensen wél – en structureel – uit de armoede te bevrijden. En nee, het woord ‘bevrijden’ is in dit verband niet overdreven gekozen, want armoede – zo blijkt uit de wetenschappelijke literatuur én de dagelijkse praktijk – is tot op grote hoogte te vergelijken met de situatie van een belegering, van individuele personen of gezinnen die op vele fronten aan het strijden zijn en op al die fronten dag na dag na dag proberen te voorkomen dat hun positie instort. Hetgeen het ingesleten beeld dat armen lui zouden zijn overigens in één klap van tafel veegt.

 

Effectieve armoedebestrijding kan pas beginnen als erkend wordt dat armoede niet in de eerste plaats over geld gaat, maar over een mentale overbelasting die voor de arme in kwestie (bijna) niet meer te dragen is.

 

Armoede is om te beginnen een stressprobleem. 

 

Wat doet Rotterdam?                                                                                         Kijkend naar de situatie in Rotterdam luidt de prangende slotvraag: blijven we water naar de zee dragen met ‘wijkteams’ die een nieuwe ronde van symptoombestrijding in gang zetten? Of zeggen we de vrijblijvendheid vaarwel en gaan we investeren in intensief armoedebeleid dat hands-on, ‘achter de voordeur’, helpt stress te verminderen? Om zo in ieder geval de voorwaarden te creëren blijvend uit de armoede te geraken? Met de bijbehorende winst voor de betrokken armen en de maatschappij als geheel? 

 

Probeer het je eens voor te stellen...

 

Hoe mooi en betekenisvol zou het zijn een bedrijf naar Rotterdam te halen, met in je tablet de keiharde statistiek dat deze stad jaarlijks duizenden armen succesvol begeleidt naar een bestaan búiten de armoede! Tikken de échte bedrijven van de toekomst juist niet daarop aan?

 

Afbeelding / www.vbo-feb.be

 

Rubriek Het feest van de praktijk

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel