In Rotterdam is het nog 1980

30-7-2014 00:59

Door Hans van Willigenburg

Het Rotterdamse armoedebeleid is blijven steken in de vorige eeuw, toen de verzorgingstaat nog bloeide en er geld zat was om armoede (inclusief haar gevolgen) niet op de lossen maar wég te financieren. Anno 2014 wordt die rekening veel te duur. En verdwijnt het draagvlak voor eindeloos pamperen. Tijd voor wél effectieve armoedebestrijding, die inzet op gedragsverandering.

 

Aflevering 3: de digitale samenleving vraagt om een individuele werkwijze bij de bestrijding van armoede

 

Is armoede ‘ver weg’ of ‘dichtbij’?

 

In de klassieke benadering van armoede, gepraktizeerd in West-Europa tijdens de laatste decennia van de twintigste eeuw, is het ‘ver weg’. Wanneer je een baan hebt, een fatsoenlijke woning bezit en dankzij je opleiding over voldoende, gezonde carrièreperspectieven kunt beschikken, is armoede, in zekere zin, iets van een andere planeet. Ja, er zijn arme mensen. Ook in je eigen land. Dat weet je. Maar te vóelen hoef je het niet. Want zolang je keurig belasting betaalt en de staat volgens een bepaalde maatschappelijke ethiek een herverdeling van geld en middelen tot stand brengt, kun je in je 'bubbel van comfort' blijven zitten wordt armoede nooit meer dan een abstract gegeven. Deze benaderingswijze is zeer gunstig en gemakkelijk voor de staat. Immers, met de belofte dat voor de armen wordt ‘gezorgd’, zijn de welgestelden ten volle bereid hun financiële afdracht aan de staat te voldoen. En, omgekeerd, zijn de minder bedeelden veelal dankbaar dat ze niet onmiddellijk in de problemen komen, maar dankzij financiële overheidsvoorzieningen hun hoofd, materieel, boven water kunnen houden. Resultaat? De wereld van de welgestelden kan in zijn ‘comfort zone’ blijven zitten. De armen kunnen, op hun beperkte schaal, ‘verder consumeren’. En ondertussen ‘regelt’ de verzorgingsstaat via financieel transport dat het ‘rustig blijft’. Iedereen tevreden!

 

Je zou dit model ‘Stilstaande Vijver’ of ‘Leunstoelsolidariteit’ kunnen noemen.

 

Hállo, het is 2014                                                                                               Voor wie het nog niet doorhad: inmiddels leven we in 2014. De verzorgingsstaat-oude-stijl staat zwaar onder druk, de digitale revolutie raast over ons heen en als we de politici, van links tot rechts, mogen geloven, gaan we naar een individuele (meritocratische) maatschappij waarin iedereen beoordeeld zal worden op zijn of haar unieke bijdrage aan het geheel. Grote vraag: in hoeverre kunnen we nú nog volhouden dat armoede ‘ver weg’ is? In hoeverre valt in de flexmaatschappij nog met droge ogen te beweren dat we nooit in aanraking zullen komen met armoede? In hoeverre kunnen we er nu nog op vertrouwen dat mensen die hard werken ruimhartig solidair blijven met armen die elke poging tot scholing afwijzen, hun handje ophouden en zonder gedoe hun natje en droogje aangereikt willen krijgen? En wie durft te garanderen dat hij of zij zelf nooit ten prooi zal vallen aan stress of een burn-out en daardoor (hopelijk voor korte tijd, maar mogelijk langer) met armoede te maken zal krijgen? De scheidslijn tussen de armen en de overigen is 'vloeibaar' geworden. 

 

Ethisch (on)houdbaar

En dan de ethiek. In hoeverre kun je als overheid anno 2014 ethisch nog je borst vooruit steken als enerzijds benadrukt wordt dat maatschappelijke waardering gebaseerd is op de ‘individuele verantwoordelijkheid’ die mensen voor zichzelf nemen en we anderzijds weten dat grote groepen arme kinderen, louter op grond van hun geboorte, amper de kans krijgen om de instrumenten te ontwikkelen waarmee ze die ‘individuele verantwoordelijkheid’ later daadwerkelijk kunnen pakken? En wat doe je met het gegeven dat als de armoede niet wordt aangepakt de maatschappelijke kosten van schooluitval, leerachterstanden, ongewenste zwangerschap en criminaliteit een steeds zwaardere hypotheek op de onderlinge solidariteit gaan leggen? 

 

Gewetensvraag: volstaat in de digitale samenleving een overheid, of een gemeente, die armoedebeleid reduceert tot het overhevelen van geld van de ene in de andere zak?         

 

Van geld naar ondersteuning

Wie de analyse over de maatschappij in 2014 (zoals hierboven geschetst) ook maar enigszins onderschrijft, kan niet volhouden dat armoede ‘ver weg’ is? Dus moet de conclusie luiden dat armoede ‘dichtbij’ (of 'dichterbij') is gekomen, zo niet voor ons allemaal, dan toch voor een grote groep mensen, ook diegenen die er nu nog warmpjes bijzitten. Een succesvol armoedebeleid zou daarom niet meer alleen gericht moeten zijn op het financieel onderhouden, maar op het breed en adequaat ondersteunen, leren, coachen en begeleiden van de armen, zo nodig reeds vanaf een vroege leeftijd. Zodat ook zij de kans krijgen hun ‘individuele verantwoordelijkheid’ te nemen en uit te groeien tot ‘volwaardige burgers’.

 

Wat zou het mooi (en logisch) zijn als Rotterdam op dit specifieke terrein het voortouw zou nemen en het armoedebeleid op de leest van de digitale toekomst zou schoeien. 

 

De hangmat dient trampoline te worden.

 

Tot slot: reacties op deze artikelenreeks

In het reactiepanel is de meest gehoorde klacht, tot dusver, dat er te veel nadruk ligt op de probleemanalyse en dat er te weinig ‘oplossingen’ worden aangedragen. Voor die mensen luidt de boodschap: pas als je doorgrondt waarom we zo gehecht zijn aan onze huidige (verouderde) vorm van armoedebeleid en daar in veel gevallen nog trots op zijn ook, is het mogelijk de geesten rijp te maken om een nieuwe weg in te slaan.  

 

De oplossingen gaan zeker geschetst worden, maar later in deze serie.

 

Geduld is een schone zaak. 

 

Hier en hier vindt u aflevering 1 en 2 van deze serie.

 

Afbeelding / www.volkswagengolfti.com

Rubriek Het feest van de praktijk

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel