Minder bemoeizorg door slimme bemoeizorg

11-8-2014 10:25

Door Hans van Willigenburg

Tegenstanders van effectieve armoedebestrijding schermen graag met de bewust negatief gekozen term 'bemoeizorg'. Onterecht. Want wie zich tegen die tijdige, zogenaamde 'bemoeizorg' keert, ontneemt armen de kans op ontwikkeling van hun talenten en tekent willens en wetens voor meer bemoeizorg in een later (kostbaarder) stadium: via politie, school, jeugdzorg en justitie.  

 

Aflevering 4: strijd tegen armoede win je, inderdaad, áchter de voordeur 

 

In deze serie wordt stapje voor stapje geanalyseerd hoe Rotterdam de afgelopen decennia met armoede is omgegaan en waarom dat (a) niet tot substantiële vermindering van het percentage armen heeft geleid en (b) gestoeld is op een beleid dat in essentie om (herverdeling van) geld draait en niet om de (talenten van) mensen die arm zijn. Dat laatste heeft een hoofdzakelijk paternalistische achtergrond, namelijk dat de hulpverlener (en in het kielzog: de overheid) het a priori denkt ‘beter te weten’ dan de hulpbehoevende (die geen talenten zou bezitten) en zich daardoor niet wérkelijk hoeft te verdiepen in zijn of haar situatie. Met andere woorden: de hulpverlener komt met een pakket vooraf bepaalde regels, ideeën en opvattingen een huishouden binnen en gaat vanuit dat denk- en handelingskader proberen het individu of het gezin ‘vooruit te helpen’, zeg maar, als een auto die in de vangrail is vastgelopen en zo snel mogelijk weer op gang moet worden gebracht, desnoods door er een paar schoppen tegen te geven.

 

Nee tegen ‘quick fixes’ en uniformiteit

Er zijn twee redenen waarom deze benadering geen toekomst heeft, of zou moeten hebben. Eén: als een individueel mens of gezin al met een auto te vergelijken is, dan heeft het veel meer zin alle energie en middelen in te zetten om ze zo vroeg mogelijk te leren sturen en daardoor te voorkomen dat ze ooit vast komen te zitten in de vangrail. Twee: welk denk- of handelingskader je ook opstelt, het is nooit verfijnd en flexibel genoeg om de complexe situatie in een gezin of huishouden, die altijd weer anders is, accuraat te kunnen samenvatten en eenduidige oplossingsrichtingen voor te schrijven. Zolang de overheid, of de gemeente, blijft denken in een uniforme aanpak voor iedereen, zullen de armen om wie het gaat – de mensen waarvoor we het doen, tenslotte, de mensen die we willen helpen – uiteindelijk niet uit de armoede geraken, ondanks wat ‘quick fixes’ die leuk staan in de statistieken. 

 

Voorkomen of genezen?

Nu is de grap dat tegenstanders van het idee dat je mensen vroegtijdig moet leren sturen een dergelijke vorm van (duurzame) aandacht en begeleiding wegzetten als ‘bemoeizorg’, terwijl ze die term achterwege laten wanneer hulpverleners, als de situatie uit de hand gelopen is, hun normen- en waarden patroon en hun regeltjes aan een problematisch gezin of individu komen opleggen. Hoewel het altijd een kwestie van smaak blijft, ligt het toch voor de hand om precies het omgekeerde te doen! En het eerste type als ‘positieve bemoeizorg’ te benoemen (gericht op de geestelijke en praktische groei van de hulpbehoevende) en de tweede als ‘negatieve bemoeizorg’ (louter en alleen gericht op het voldoen aan bovenaf opgestelde normen en regeltjes). Een andere reden waarom we zo snel mogelijk van ‘negatieve bemoeizorg’ af zouden moeten, is dat cijfers aantonen dat dergelijke bemoeizorg alleen maar méér (kostbare) bemoeizorg genereert, ofwel: als je de auto uit de vangrail hebt geduwd en terug de weg op hebt geschopt, maar zonder naar de oorzaken onder de motorkap te hebben gekeken, zal de auto snel weer van weg af raken en opnieuw in de vangrails verstrikt raken. Waarna een nieuwe ronde van ‘negatieve bemoeizorg’ volgt. Enfin, over de innige relatie tussen bureaucratie en armoede, werd in aflevering 2 van deze serie al geschreven.  

 

De heilige voordeur

Natuurlijk gaan we in deze serie niet luchtig voorbij aan het actuele en brandbare debat over privacy en tot waar de overheid precies wel en niet mag ingrijpen in de privésfeer. En natuurlijk kun je het – wellicht breed gedeelde – standpunt huldigen dat de voordeur van een huis te allen tijde heilig zou moeten zijn en de samenleving, als beschavingsplicht, voor alle kosten zou moet opdraaien die alle misstanden áchter de voordeur tot in volgende generaties veroorzaken. Maar hoe geloofwaardig (en economisch vitaal) is een samenleving dan nog, die hamert op ‘individuele vrijheid en verantwoordelijkheid’, terwijl ze uit de statistieken weet dat kinderen in bepaalde wijken veel minder kans hebben de daartoe benodigde vaardigheden te ontwikkelen? En hoe schadelijk is het niet als grote bevolkingsgroepen financieel op een minimumniveau in leven worden gehouden terwijl het enige wat ze wérkelijk kan helpen, positieve aandacht, hen onthouden wordt?

 

Nóg meer struisvogels?

Zeg eerlijk: heeft de struisvogelstrategie van non-interventie zijn beste tijd gehad? Of wordt het ook weer het model waar Rotterdam succesvol de 21-ste eeuw mee gaat doorkomen? (Denk even aan het fiasco van wethouder Marco Florijn, die ongetrainde werklozen in het Westland dacht ‘weg te kunnen zetten’). Nee. Het model van non-interventie is een gemaksvariant waarmee de stad, in economisch gunstiger tijden, lange tijd weg heeft kunnen komen. Echter, in de digitale, meritocratische samenleving zal de roep om ‘gelijke kansen’, terecht, verder toenemen. En daarmee de roep om activerend beleid richting achterstandsgroepen, door tegenstanders ook wel ‘bemoeizorg’ genoemd. Voeg daarbij dat intensivering van tijdige ‘positieve bemoeizorg’ bergen met (kostbare) ‘negatieve bemoeizorg’ kan schelen en de prangende vraag  luidt: waarom beginnen we er niet morgen meteen mee?   

 

Alleen maar winnaars zou te mooi zijn?

Als we afscheid nemen van generiek (gemakzuchtig) armoedebeleid en inzetten op coaches en hulpverleners op microniveau, die de tijd krijgen om niet alleen de daadwerkelijke oorzaken van de armoede van een gezin of individu op te sporen, maar ook om die oorzaken, samen met de hulpbehoevenden, aan te pakken, is er een wereld te winnen. Een wereld waarin – niet morgen, niet overmorgen, maar over vijf á tien jaar – minder armoede zal heersen, meer mensen een eerlijke kans krijgen op een bevredigend bestaan, minder belastinggeld nodig zal zijn om mensen te corrigeren (politie, justitie, gevangenissen) en (nog) meer bedrijven geneigd zullen zijn zich te vestigen vanwege het prettige sociale klimaat en de aanwezige kansen en talenten voor de lokale bevolking.

 

Omdat mensen, logischerwijs, wantrouwend zijn als er alleen maar winstrekeningen worden voorgespiegeld, is het, voor de balans en de eerlijkheid, wel zo netjes om ook de verliezer van een dergelijk armoedebeleid te benoemen: het korps van beleidsambtenaren. Dat kan drastisch worden ingekrompen.

 

Maar liever minder beleidsambtenaren die goed werk doen, dan dure beleidsambtenaren die papier heen en weer schuiven…

 

Tóch??? 

 

Later in deze serie zullen we inzoomen op de nieuwe generatie hulpverleners, die samen met bewoners werken aan de ontwikkeling van talenten.

 

Geïnteresseerd in de vorige aflevering van 'Het feest van de praktijk', klik hier voor deel 1, hier voor deel 2 en hier voor deel 3.

 

Afbeelding / www.oogtv.nl

Rubriek Het feest van de praktijk

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel