'Rotterdam volgt de tijdgeest, wij in Amsterdam verzetten ons daartegen'

5-1-2017 09:53

Door Hans van Willigenburg

Wethouder Arjan Vliegenthart (SP) verdedigt ruimhartig armoedebeleid in de hoofdstad & zijn principiële afwijzing van het basisinkomen

In een tijd dat ‘afrekenbaarheid’ en ‘verantwoording’ binnen het overheidsapparaat tot heilige mantra’s verheven dreigen te worden, lijkt er één witte raaf rond te vliegen: de Amsterdamse wethouder Arjan Vliegenthart van de SP. Op Radio1 botste hij al eens met zijn Rotterdamse collega Maarten Struyvenberg (Leefbaar Rotterdam) over de geest en het mensbeeld achter het armoedebeleid. Voor Vliegenthart is ‘kunnen meedoen’, ook voor de allerarmsten, ten allen tijde leidraad. En voor dat doel heeft hij, te midden van strenge boekhouders en regeltjesfetisjisten, een apart potje van zo’n 20 miljoen euro weten vrij te spelen. Hoogste tijd voor een interview met misschien wel de meest ruimhartige wethouder van Nederland.  

Eerste vraag, heel simpel, wat is het doel van het huidige armoedebeleid in Amsterdam?

Doel van dit beleid is dat het niet moet uitmaken hoe dik je portemonnee is om op een basaal niveau te kunnen meedoen aan onze maatschappij. Heel concreet: elk kind moet huiswerk kunnen maken op een laptop. Iedereen moet op een basaal niveau verzekerd zijn tegen ziektekosten, zodat je niet aan iemands gebit ziet hoeveel hij of zij verdient. Iedereen moet lid kunnen worden van een sportclub of gezelligheidvereniging, zodat je andere mensen kunt ontmoeten en geld nooit de reden is voor sociaal isolement.

Interessant. Ik hoor u niet zeggen dat daar iets tegenóver moet staan. Zoals u het formuleert, is het een basisrecht van elke burger, jong en oud, om in staat gesteld te worden ‘mee te kunnen doen’.

Dat klopt. Eén van de kreten die ikzelf gebruik om mijn beleid op een kernachtige manier samen te vatten, is dat ik geen ‘activerend’ maar een ‘activistisch’ armoedebeleid voorsta.

Leg uit.

Met ‘activistisch’ bedoel ik dat we de schaamte rond armoede zoveel mogelijk proberen af te breken. Met andere woorden: zorgen dat minima niet bangig wegkruipen, nee, als overheid – voor zover mogelijk – zelf actief met ze in contact treden en wijzen op alle mogelijkheden voor financiële en sociale bijstand. Op deze manier proberen we, dramatisch geformuleerd, weer een stem te geven aan de stemlozen. Zodat ook zij de kans krijgen mee te doen. Dat is wat ik ‘activistisch’ noem.

Ik hoor kiezers al roepen: ‘U speelt voor Sinterklaas!’.

Dat soort sentimenten zul je altijd houden. Maar als je je ook maar een beetje verdiept in de situatie van de minima, weet je dat het geen feest is en dat elke vergelijking met Sinterklaas daarom misplaatst is. Niemand meldt zich voor de lol bij zoiets als de schuldhulpverlening.  Het mooie van de populaire documentaire serie ‘Schuldig’ is dat het laat zien hoe weinig er voor nodig is om in grote problemen te komen. Hoezo zou je dan met het vingertje moeten wijzen? Of een straf moeten opleggen? Je moet die mensen gewoon helpen.

En wat zegt u tegen mensen die beweren dat u mensen vis geeft terwijl ze een hengel nodig hebben?

Als je per se in die beeldspraak wilt denken, zeg ik: het heeft geen zin om meteen een hengel te geven. Want uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat bijna alle minima kampen met ernstige vormen van stress. En daardoor de rust missen om goede, verstandige beslissingen te nemen, ofwel: kundig met de hengel om te gaan. Het is dus veel slimmer om eerst vis te geven, vervolgens rust te creëren en dán pas is het nuttig met die hengel op de proppen te komen. In die volgorde.

Hoeveel ruimte is er überhaupt om, los van Haagse regeltjes, een eigen – in dit geval ruimhartig – armoedebeleid te voeren? Zodat je inderdaad kunt spreken van een specifiek Amsterdams armoedebeleid?

Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat Den Haag een meer humaan armoedebeleid op talloze manieren tegenwerkt. Maar ik wil geen zeurpiet zijn. Dus stap ik daar zoveel mogelijk overheen en kijk ik naar wat wél kan. Neem, als voorbeeld, de langdurigheidstoeslag van vijfhonderd euro, die ooit in het leven is geroepen om uit te keren aan mensen die lang in de bijstand zitten. Daarvan zegt Den Haag nu: die toeslag mag je, met een moeilijk woord, niet ‘categoraal’ geven, maar dient individueel te worden aangevraagd. Nou, als je de doelgroep een beetje kent, weet je dat zoiets problemen geeft: lang niet iedereen vult dat in en vraagt dat aan.

En dus?

En dus proberen we er als gemeente alles aan te doen de dam die Den Haag opwerpt te omzeilen en de mensen in die specifieke groep op de toeslag te attenderen. Te zorgen dat ze ‘m tóch aanvragen. Iets wat nog eens extra ondersteund door mijn eigen partij, de SP, die op een gerichte manier wijken bezoekt en mensen helpt die formulieren in te vullen.

Wat zegt u tegen alle mensen die menen dat u ‘pampert’ en te lief bent? Anders gezegd: welk resultaat levert dit beleid op, waarmee u tegenstanders denkt te kunnen imponeren of zelfs de mond snoeren?

In het woord ‘resultaat’ zit meteen een boekhoudkundig element. Daar zit het resultaat van ons beleid, in eerste instantie, juist niet. De ‘winst’ die we boeken is: de intense blijheid waarmee kinderen van arme ouders hun laptop in ontvangst nemen. Of de vreugde bij ouders en kinderen als ze ontdekken dat het mogelijk is lid te worden van een sport- of muziekclub. Of de opluchting bij kwetsbare ouderen als ze met een stadspas ineens bij familie op bezoek kunnen, elders in de stad. Dit soort ‘resultaten’ vormen voor mij de échte winst. Want niet alleen krijgen mensen daardoor hun eigenwaarde terug, het gevoel weer mee te tellen, ook onderaan de streep zul je als overheid winst boeken. Mensen die zich serieus genomen voelen, zitten namelijk beter in hun vel en staan positiever in het leven. Wat ook boekhoudkundig – zeg ik tegen critici van mijn beleid – uiteindelijk goed uitpakt.

Het klinkt allemaal schitterend, geef ik toe. Maar als de SP na een volgende verkiezing mogelijk niet meer in het college zit, en u niet meer op deze stoel, zal ‘de kloof’ die u probeert te dichten onherroepelijk weer groter worden. Kortom, in hoeverre is uw beleid een duurzaam beleid?

De SP zal dit armoedebeleid op prominente tot inzet van de verkiezingen maken, nationaal én lokaal. Zodat kiezers er van doordrongen raken waar het om draait. Al is dat op zich natuurlijk geen garantie dat we terugkeren in het college en dit beleid wordt voortgezet. Maar een oude wijsheid zegt dat je als socialist verplicht bent tot optimisme, dus zet ik op dit moment, ongeacht wat hierna zal gebeuren, alles op het vooruit helpen van de armste groep Amsterdammers.

En juist dáár wringt de schoen. Want het zoveel mogelijk bieden van zekerheden en inkomensgaranties aan de minima, zeggen uw tegenstanders, helpt juist helemaal niet bij het werkelijk vooruit helpen van de minima, maar doet ze tevreden achterover leunen. In een interview met het Parool omschrijft u uw beleid als ‘curatief’, een vorm van ‘pijnbestrijding’, en suggereert de interviewer dat u mensen op die manier klein houdt.

Dat een beleidskeuze emoties oproept en voor veel mensen controversieel is, betekent niet dat je moet weglopen. Integendeel, dan moet de politicus in je opstaan! Mijn uitgangspunt is en blijft daarom: armoede is een onlosmakelijk onderdeel van de grote stad. Dat klinkt misschien cynisch, maar is in mijn ogen de realiteit. Want zelfs al zou je grote groepen minima uit de armoede weten te trekken, wat op zich al moeilijk genoeg is, dan nóg verlos je de grote stad niet van armoede, want komen er van buitenaf weer nieuwe groepen armen binnen, die hier op zoek gaan naar positieverbetering. Daarom heeft elke grote stad mijns inziens de verplichting een manier te vinden met die armoede om te gaan. Dat er een beleid zou bestaan waarmee je armoede voorkomt, beschouw ik als illusoir. Daar ga ik geen kostbare tijd aan verspillen.

En bij die Amsterdamse ‘omgang met armoede’ hoort, als ik het goed begrijp, niet het eisen van een tegenprestatie, zoals in Rotterdam, maar het aanbieden van een zinvolle dagbesteding. Wat je opnieuw kunt uitleggen als een geruststellende in plaats van emanciperende benadering.

Je kunt interpreteren wat je wilt: feit is dat er op dit moment te weinig banen zijn. De vraag is dan: hoe reageer je daarop? Laat je kwetsbare mensen in ledigheid gaar koken, met alle negatieve gevolgen voor hun zelfbeeld en hun gedrag? Of inspireer je ze om van betekenis te zijn voor de medemens of hun omgeving? Met het programma ‘Meedoen Werkt!’  biedt de gemeente hen de mogelijkheid vrijwilligerswerk te gaan doen en zo hun dagen betekenisvol te besteden. Dat is van onschatbare waarde. In de eerste plaats wordt de stad een prettiger plek door vrijwilligersinzet, en daarnaast is het positief bijdragen aan de samenleving ook van wezenlijk belang voor de vrijwilligers zelf.  Want zolang mensen ten prooi zijn aan een negatief zelfbeeld en vinden dat ze niks kunnen, zullen ze sowieso heel veel moeite hebben op de arbeidsmarkt hun draai te vinden. Als je meer wilt weten over de cruciale factoren bij het ontsnappen aan de armoedecirkel, en de prominente rol van het zelfbeeld daarin, kan ik je een studie van Beth Babcock aanbevelen.

Een ogenschijnlijk veel simpeler antwoord op het armoedevraagstuk is natuurlijk het basisinkomen. Of gelooft u niet in een generieke maatregel die hoofdpijndossiers van tafel veegt en bureaucratie overbodig maakt?

Ik ben inderdaad van mening dat het basisinkomen té generiek is. En dat het voorbijgaat aan wat we tegenwoordig ‘maatwerk’ noemen. Om twee hoofdredenen zie ik het basisinkomen dan ook niet zitten. Eén is een prozaïsche reden: als je het basisinkomen op een goed niveau wilt brengen, zodanig dat niemand meer armoede hoeft te kennen, wordt het gewoon te duur. Júist vanwege het feit dat ook welgestelde burgers dat extra inkomen gegarandeerd krijgen uitgekeerd. En mijn tweede bezwaar, meer immaterieel van aard: het basisinkomen miskent de waarde van het hebben van werk en een daaraan gerelateerd inkomen. Behalve dat werk, plat gezegd, een bepaald loon oplevert, en daarmee eigenwaarde creëert, heeft het tegelijkertijd een grote sociale meerwaarde: je wordt ergens verwacht, je krijgt complimentjes of kritiek van collega’s en je maakt onderdeel uit van een bedrijf of organisatie met een doel, al naar gelang je talenten en voorkeuren in de profit of de non-profit sector. Ik geloof niet dat een basisinkomen eenzelfde sociale meerwaarde biedt. Met het basisinkomen wordt iedereen in zekere zin een ‘éénpitter’. En ik meen te merken dat velen nú al vinden dat onze samenleving te individualistisch is. Het basisinkomen versterkt die individualisering nog eens extra.

Voorstanders zeggen: we hebben geen keuze. Door de wereldwijde opmars van flitskapitaal en robotisering en de toenemende ongelijkheid en onzekerheid die ze veroorzaken, heb je, als tegenwicht, een maatregel nodig als het basisinkomen.

Het is niet de eerste keer dat er crisis is en de mens zich zorgen maakt over diens eigen overbodigheid. Tijdens de industriële revolutie en in de jaren ’30 van de vorige eeuw, leefden soortgelijke doemscenario’s over de werkgelegenheid op. En wat bleek? Mechanisering maakte de mens helemaal niet overbodig. Het werk ‘verplaatste’ zich naar andere sectoren. Nieuwe vaardigheden werden gevraagd. De achtergrond waartegen het basisinkomen als onvermijdelijk wordt geschetst, is mij dus veel te somber. En vanuit historisch oogpunt bovendien uiterst discutabel.

Terug naar het armoedebeleid… Ik begrijp dat u regelmatig mensen spreekt uit de doelgroep. En zo op een directe manier voeling probeert te houden met wat er bij mensen leeft, en wat er nodig is. Wat leveren die gesprekken aan inzichten op? Ofwel: wat blijft u het meeste bij uit die gesprekken, dat leerzaam is?

Ik houd spreekuur in verschillende wijken. En het is op zich al veelzeggend dat die spreekuren vaak vol zitten en dat de gesprekken langer duren dan gepland staat. Wat ik daarvan leer is, allereerst, dat de problemen vaak complex zijn, complexer nog dan je in eerste instantie denkt, en dat ze bij lange na niet met één formulier of één maatregel te verhelpen zijn. En ook dat de aanleiding van de problemen – een verkeerde partnerkeuze, een ondoordachte aankoop, plotselinge ziekte – écht geen Ver-Van-Mijn-Bed-Show is. Zulke dingen kunnen iedereen overkomen, ook mij. Wat me tot slot erg bij blijft is de veeleisendheid van de overheid als je bijvoorbeeld gebruik wilt maken van de schuldhulpverlening. Er komen mij dan brieven onder ogen met financiële vraagstellingen waarvan ik denk: daar zou ik als geschoolde academicus al niet één twee drie het antwoord op weten!  Geen wonder dat mensen daarin vastlopen. Moedeloos worden. Of boos.  Op dat moment ervaar ik de overheid echt als een sta-in-de-weg. 

De overheid als sta-in-de-weg lijkt me voor een socialist onverteerbaar.

Zeker. Maar als ik moet kiezen tussen het omvormen van de overheid of het helpen van mensen om van die sta-in-de-weg tóch die broodnodige uitkering of toelage te kunnen ontvangen, kies ik pragmatisch voor het laatste. Want het omvormen van de overheid, tja, dat kost jaren.   

Hoe zorgt u dan dat die hulp, ondanks de sta-in-de-weg, tóch geboden wordt?

Nóg duidelijker aan onze welzijnsorganisaties overbrengen dat ze – om in de beeldspraak van de vis en de hengel te blijven – zo snel mogelijk moeten zorgen dat er vis op tafel komt. Simpel gezegd: geen ingewikkelde praatsessies, maar actie. Waar mogelijk voorrang voor schuldenproblematiek. En dus: voor het op orde brengen van de administratie. Anders heb je geen toegang tot de overheid en gaat het wegwerken van schulden nooit lukken.

Om nog even op het pijnpunt te drukken en door te gaan op de overheid als sta-in-de-weg: er zijn veel klachten over de traagheid waarmee gemeenten de vragen en problemen van kwetsbare burgers oppakken. Versnippering, te veel loketten, inefficiënte informatiesystemen en kennisoverdracht, enzovoorts. Hoe verbeter je dat?

Ik onderken dat het veel beter kan. Maar moet ook onder ogen zien, en ik herhaal, dat ik wetgeving en uitvoeringsregels vanaf deze stoel niet met één druk op de knop kan veranderen. Wat ik wél kan zeggen is dat ik soms heel erg jaloers ben op Albert Heijn. En weet je waarom? Omdat zij, via de beroemde Bonuskaart, een schat aan data over hun klanten hebben. En daardoor op een snelle en maatwerkachtige manier service kunnen verlenen. Als we bij de overheid meer over dergelijke data konden beschikken, zouden we minima aanzienlijk sneller kunnen helpen. En een hoop papierwerk en frustratie kunnen wegnemen.

Maar er lopen privacy waakhonden rond…

Ik wil niets afdoen aan het belang van privacy, maar soms zoeken privacy activisten spijkers op laag water. Voorbeeld. Als de gemeente in samenwerking met de woningbouwcorporaties het programma ‘Geregelde Betaling’ van de grond tilt en, door de huur in te houden op de uitkering, voorkomt dat kwetsbare burgers uit hun huis worden gezet, worden we ervan beticht dat we de privacy van de betreffende huurders schenden. En dat we hun keuzevrijheid zouden beperken. Terwijl de mensen waar het om gaat alleen maar ontzettend blij zijn dat ze in hun huis mogen blijven – en geen enkele keuze hébben! Op dat moment schieten privacy activisten hun doel voorbij en maken ze zich mijns inziens belachelijk. ‘Get real,’ denk ik dan. ‘Kom kijken in de échte wereld.’

Tot slot. Hoe ziet u de acceptatie van armoede in de toekomst? Gaan TV-series als ‘Schuldig’ de zichtbaarheid van armoede vergroten en op die manier zorgen voor een groeiend gevoel van collectieve schaamte? Of zal de bereidheid een vangnet te spannen juist verder afnemen, omdat de ideologie van  eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid aan de winnende hand is?

Ik heb geen glazen bol. Maar je hoeft geen helderziende te zijn om te constateren dat de ieder-voor-zich-mentaliteit op dit moment dominant is. Rotterdam volgt de tijdgeest daarin, en wij verzetten ons daartegen om de redenen die ik in dit interview gegeven heb. 

Afbeelding / www.amsterdam.nl

Rubriek Het feest van de praktijk

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel