SCHOON, HEEL, VEILIG. SCHOON, HEEL, VEILIG...

15-1-2013 15:45

Door Stefan van Hoek

Ik mag weer een pammie slikken. Tien milligram Temazepam dit maal. Ik moet zorgen dat ik enigszins op tijd in slaap ben. Morgen dien ik om half zeven in de ochtend acte de présence te geven bij de Roteb. Om wat terug te doen voor de maatschappij. Omdat ik zo'n vieze werkloze ben. Presentje van de wethouder. Rotterdam heeft helemaal uit het verre Leeuwarden een wethouder moeten importeren die smerig werkschuw tuig als ik achter de geraniums weg krijgt. Opdat ik socialiseer. Aan het feit dat ik liever met geraniums dan met mensen omga, wordt lichtzinnig voorbij gegaan. Maar goed, misschien heeft de wethouder wel gelijk. Misschien zijn de geraniums mij inmiddels een beetje beu aan het raken.

   Nog een redelijk prijzig grapje, die Temazepam. Twee euro's plus vier eurocenten per stuk. Strips met tien exemplaren Diazepam van tien milligram koop ik bij de buurttroeteljunk een stuk goedkoper in, voor tien euro. En dan weet ik dat hij niet bepaald apothekersprijzen in rekening brengt. Financieel-economisch naait ie me. Maar ja, ik heb niet veel zin om bij mijn huisarts te blijven aankloppen. Moet ik weer helemaal met bus 32 naar West. En weer terug. Hoop gedoe. Terwijl ik achter mijn geraniums had kunnen zitten.

   Ik ga maar lopen. Heb nog een half uur. Moet te doen zijn. De werkschoenen die ik op de introductiebijeenkomst heb gekregen, laat ik thuis. Met een beetje mazzel sturen ze me gelijk weer weg omdat ik schoenen zonder stalen neuzen draag.

   Fijn. Daar was ik al bang voor op dit tijdstip. Dronken drupjes die de nachtkroeg achter de rug hebben. Ik overweeg een moment de Westblaak over te steken, maar besluit ze tegemoet te lopen. Een man of vijf. Als ze kwaad willen, maak ik een kans, reken ik snel uit. Als vier van de vijf tegelijkertijd een hartinfarct zouden krijgen. Een van hen heeft een fles sterke drank in zijn hand en neemt er een teug van. Als ik hem passeer, boert hij naar me. Ik loop door. Zonder er eigenlijk wat dan ook van te vinden. Mijn onverstoorbaarheid valt me op. Geen angst, geen schrik. Gewoon doorlopen en zorgen dat ik op tijd bij de Roteb ben.

 

“Dit is mijn driehoek”, zegt Richard. “Goudsesingel, Mariniersweg, Groenendaal.” Ik antwoord hem dat ik de buurt ken en stel hem voor dat ik de Mariniersweg doe en hij bij de Goudsesingel begint. Dan komen we elkaar op het Groenendaal weer tegen. Ik ben liever alleen. Heb niet zoveel zin om voortdurend met citaten uit het verzameld werk van Plato om de oren te worden geslagen.

   De teamleider heeft niet eens naar mijn schoenen gekeken. Hij heeft me een afvalgrijper in mijn handen geduwd en Richard als mijn compaan aangewezen. Omdat bijna iedereen in een busje ging zitten, stapte ik er ook op af. Maar Richard gaat liever lopen, vertelde hij. Tijdens de wandeling heeft hij heeft me zijn arbeidsverleden uit de doeken gedaan. De gedachte over Plato was dus een hyperbool. Of een omkering. Whatever. Ironisch bedoeld, in ieder geval.

   Richard doet me voor hoe ik een afvalzak in de metalen ring hang. Met de grijper in zijn rechterhand en de zak met ring in zijn linker schuin achter zich houdend, verwijdert hij de eerste plastic zakjes uit de goot naast de stoep. Ik volg zijn voorbeeld. Veel vuil ligt er niet. Een aantal snoeppapiertjes, een enkel sigarettenpakje. Als die in mijn afvalzak zitten, groet ik hem en scheiden onze wegen.

 

Ik heb verdomd fijn materiaal meegekregen. De grijper is een genot. Ik hoef niet te bukken en met een minimale inspanning van mijn vingers haal ik het vuil van de straat. Op het begin van de Mariniersweg ligt zo weinig dat ik nog net niet de doorn in het oog van oud-burgemeester Opstelten van de tegels sta te schrapen. Kauwgum laat ik de kauwgum, maar op een bepaald moment grijp ik wel degelijk zelfs sigarettenpeuken van het trottoir. Bij mijn overweging de rest van de dag de mantra Schoon, heel, veilig. Schoon, heel, veilig... voor me uit te gaan mompelen, grinnik ik zacht. Deze meditatieve arbeid leent zich uitstekend om een dag lang knetterdebiel te doen, zonder al te zeer op te vallen of mijn stadgenoten tot last te zijn.

   Verderop ligt het grovere vuil: blikjes. Het valt me op dat lege energiedrankblikjes ver in de meerderheid zijn ten opzichte van bierblikjes. Alsof de energiedrank tot een dermate vorm van ADHD leidt dat het onmogelijk is die in een vuilnisbak te dumpen. In gedachten zie ik een puber een compleet ongecoördineerde armzwaai maken. Ik grijns.

   Een plat gereden blikje krijg ik met mijn grijper niet van het plaveisel. Ik ga door mijn knieën, pak het op en gooi het in mijn zak. Veel gekker moet het niet worden. Dit is spotten met alle vormen van ARBO-wetgeving.

   Aandacht is het toverwoord, zo is me na een klein half uur duidelijk. Bij ieder peukje, snoeppapiertje, sigarettenpakje of blikje is het een duel. Telkens weer het gevecht aangaan. Jij of ik, addergebroed. Ik win alle duels glansrijk. En als ik niet win, laat ik de tegenstander gewoon liggen. De plastic dopjes van halveliterflesjes frisdrank zijn niet makkelijk, willen nog weleens tussen de grijpklauw vandaan schieten. In die gevallen probeer ik het gewoon nog eens. Geplette sigarettenpakjes, geen sinecure, maar met geduld kom ik een eind. Plat gereden blikjes: kutwerk. Maar the baddest of the bad motherfuckers zijn de afgebroken lipjes van blikjes. Die kosten een hoop tijd en inzet. Het merendeel wens ik na een paar keer proberen verder een prettige dag nog.

 

De hele tijd loop ik mij af te vragen wanneer ik me nu eens een beetje Ali uit Günter Walraffs Ik (Ali) ga voelen, maar dat wil niet opschieten. 's Middags is het ook op de Lijnbaan voornamelijk schoon. Ik besluit de aanvoerwegen naar de winkels, naast de Lijnbaanflats, in te lopen. In de parkeerhavens ligt aanmerkelijk meer vuil. Afval van de hamburgerketen die het zo goed met kale kindjes voorheeft, wint hier ruimschoots van dat van de reformevenknie waarbij men zelfs heuse ijsbergsla op de burger krijgt. Hoewel ik mij heb voorgenomen me niet druk te maken over of ik in mijn oranje fluorescerende hesje – de vaste krachten dragen een dikke jas én broek – word herkend, het adagium you can not imagine the immensity of the fuck I do not care te zullen huldigen, ben ik toch blij dat ik mij nu op een secundaire weg en niet meer en plein publique bevind.

 

Als we al op de weg terug naar headquarters zijn, ben ik 'm alsnog.

   “Hahaha. Hebben ze jou ook te pakken? Mij ook. Ik doe dit tegenwoordig op maandag.” Het is Tony, voormalig barman uit mijn gezinsvervangend tehuis. Hij biedt me een sigaret aan.

   Ik sla zijn aanbod af. Straks krijg ik een maatregel van de soos. Word ik op mijn uitkering gekort, omdat ik een sigaret heb aangenomen.

Rubriek Hoekig

Stefan van Hoek

Hij werd geboren en groeide op in de hoofdstad van de provincie Zeeland. Na het afronden van zijn atheneum-opleiding verhuisde hij naar Rotterdam om verder te schaven aan zijn mens...

Bekijk profiel