Jobst Frese, de stille vervalser

28-4-2019 01:16

Door Rob van Olm

                     Duizenden vervalsingen in Amerika verkocht als ‘real old Dutch art’

Het was geen dagelijks verzoek dat kunsthistoricus Erna Kok, gepromoveerd op het onderwerp ‘Culturele ondernemers in de Gouden Eeuw’, voorgelegd kreeg. Kon ze de authenticiteit en marktwaarde vaststellen van vier kunstwerken: een collage van Kurt Schwitters (uit 1937), een tweezijdige tekening van Isaac Israels (1930) en een aquarel van Corneille (1949)? Het eerste wat je bij een dergelijk onderzoek doet is de herkomst (provenance) vaststellen. Wat dat betreft luidde de alarmbel al snel. De aanbieder vertelde dat hij jaren geleden de kunstwerken had gekregen van een kennis van hem, ene Henny Frese (1944-2013), zoon van Jobst Heinrich Frese (1914-1986), nadat hij hem had geholpen het huis van zijn overleden vader te ontruimen. Zou een ‘kennis’ zulke - op het eerste oog - dure kunstwerken zomaar cadeau doen voor een opruimklus? Vader en zoon Frese bleken bovendien niet alleen als kunstschilder bekend bij het Rijksbureau voor Kunsthistorisch Documentatie (RKD), maar ook als kopiist. Ondanks de bedenkingen die ze aanvoerde, wilde de aanbieder toch dat ze een onderzoek startte.

Schilderfabriek
Ze kwam algauw op het spoor van Ir. Hans Aalberts, die een boekje had geschreven over Frese. Daarin beschreef hij hem als een schilderfabriek. ‘Jobst Frese bleek een enorme productie kunstwerken onder tientallen pseudoniemen te hebben gemaakt. Belangwekkender is dat hij, en wellicht ook zijn zoon Henry, tevens werken in de stijl van kunstenaars van naam vervaardigde, die hij met hun naam signeerde; soms met een iets afwijkende signatuur van de gekopieerde kunstenaar, of ook wel met diens initialen. Dat is onrechtmatig en valt dus onder de noemer vervalsingen. Bij de drie onderzochte werken zijn het met name de signaturen, die de toets van authenticiteit niet kunnen doorstaan.’ Dat bevestigde ook de Schwitters-expert dr. Isabel Schulz, aan wie Kok de Schwitters-collage voorlegde. Zij had grote twijfels over de authenticiteit, omdat zowel de compositie als de signatuur atypisch waren. Bovendien vertoont het werk sterke overeenkomsten met vergelijkbare collages op dominopapier, die in de jaren zestig in Nederland verschenen. Of die allemaal uit de schilderfabriek van Frese kwamen is niet duidelijk. Vermoedelijk waren er diverse Schwittersvervalsers actief in Europa, de vraag naarkunst was groot en een Schwitters bracht veel geld op. Corneille publiceerde in 1949 het boekje promenade au pays des pommes, met daarin 16 voorstellingen in gemengde techniek van zijn eigen hand. Het is onbekend en onwaarschijnlijk dat Corneille deze afbeeldingen als zelfstandige werken heeft uitgebracht. Dat bevestigde ook de conservator van het Cobra-museum. Kok: ‘Omdat er geen losse bladen uit het boekje van Corneille bekend zijn, plus de sterk afwijkende signatuur en matige compositie, luidde ook haar conclusie dat het werk niet van Corneille is.’ Het is zeer waarschijnlijk door Frese gemaakt. De twee werken van Isaac Israels, in een vaardige schetsmatige stijl, zouden voor een echte Israels kunnen doorgaan. Ze zijn echter ondertekend met het monogram: I.Is. Kok: ‘Israels is een van de grootste 19e eeuwse Hollandse impressionisten met hoge veilingopbrengsten. Volgens Hans Aalberts heeft Frese hem veelvuldig gekopieerd, samen met nog 13 andere schilders, waaronder George Hendrik Breitner, Vincent van Gogh en Leo Gestel. De werken die Frese in de stijl van deze grote namen maakte, ondertekende hij meestal niet, of slechts met met de initialen van die schilders.’ Ook bij dit werk was dus voorzichtigheid geboden. Bij onderzoek van 470 werken op papier die in het tijdsbestek van 1990-2014 op de veiling zijn verkocht bleek geen enkel werk (overigens ook geen schilderij) van Isaac Israels te zijn ondertekend met slechts zijn initialen I.Is. De werken zijn of voluit gesigneerd, of hebben geen signatuur. ‘Het monogram I.Is is atypisch voor Israels om zijn werk mee te signeren en leidt tot de conclusie dat ook dit werk net als de andere twee werken, een vervalsing is. Een bekende Amsterdamse kunsthandelaar gespecialiseerd in 19e en 20e eeuwse kunst, bevestigde mijn conclusie. Bovendien vond hij de uitvoering van het werk onvoldoende kwaliteit hebben voor een authentieke Israels.’

Kelderman
In het rapport voor haar opdrachtgever beschreef ze haar bevindingen, maar de vraag wie Jobst Heinrich Frese was en hoeveel vervalsingen hij had gemaakt, bleef knagen. Een probleem is dat de wereld van de kunsthandel gesloten als een oester is. Dat ondervond ook Hans Aalberts toen hij begon te snuffelen in het leven van Frese. De inmiddels 79-jarige oud- waterpolo internationaal, mijnbouwingenieur en directeur Dienst Sport- en Recreatie van het Ahoy Complex in Rotterdam, begon zich na zijn pensionering in kunst te interesseren. Omdat hij als bèta-man weinig kennis van kunst had, noteerde hij nauwgezet de namen en prijzen van kunstenaars die hij op beurzen en veilingen tegenkwam. Na twee jaar had hij een bestand van zo’n 15.000 namen, waarvan hij cd’s samenstelde  en in kleine kring verkocht. Tijdens de bezoeken aan veilingen kwam hij zo vaak schilderijen van Jan Kelderman tegen, dat hij een onderzoek naar hem begon. Via hem kwam hij bij Frese terecht. ‘Kelderman werkte aanvankelijk als marktkoopman en scharrelde in antiek. Na de oorlog is hij kunst gaan verkopen. Nog niet meteen van Heinrich Frese, maar schilders als: Stephan Kip, Hendrik Cornelis Kranenburg en Clement van Vlaardingen. Hij kocht hun schilderijen ongesigneerd en verkocht die door onder zijn eigen signatuur, meestal J en soms Jan Kelderman. Hij was een meesterverkoper en bezocht vooral bedrijven en grotere horecaondernemingen in Het Gooi en rond Amsterdam, waar hij zich voorstelde als Jan Kelderman, kunstschilder. Hij stalde zijn werken uit, waarbij de prijzen, variërend van fl. 150 tot fl. 500, reeds op het spieraam vermeld stonden. In 35 jaar heeft Kelderman vele duizenden schilderijen onder zijn eigen naam verkocht, waardoor met name in en rond Amsterdam vele directiekamers, restaurants en hotels schilderijen van Kelderman hangen. Rond 1960 ontmoette hij Frese.’ Frese studeerde op de avondcursus van de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam, waar hij de op één na hoogste cijfers haalde. Omdat hij moest trouwen met Klaske IJbrandij, is hij in het derde jaar, in 1943, van de academie afgegaan. Er moest immers brood op de plank komen. In 1959 is het gezin naar Abcoude verhuisd in een gegoede buitenwijk, waar hij tot 1986 in redelijke welstand een wat teruggetrokken leven heeft geleid. Volgens de mensen die hem hebben gekend is Frese zijn gehele leven ‘low profile’ geweest. Wellichtook ingegeven door zijn manier van werken. Aalberts: ‘Ik denk dat Frese vanaf dat moment tot aan het eind van zijn leven kopieën en duplicaties heeft gemaakt van schilders wier werk zo’n twee tot tienduizend gulden opbrachten. Ik heb veel mensen gesproken die Frese hebben zien werken in de trend van veelal impressionistische kunstenaars. Kunstwerken met een lichte toets, makkelijk na te maken. In zijn gang stonden metersdikke schilderijen die door allerlei galeriehouders, niet de kleinste, in binnen- en buitenland werden opgehaald.’

Amerika
Aalberts noemt nog twee handelaren die met Frese hebben samengewerkt: Doede Bruinsma en Jonas Knoop verkochten zijn werk in Duitsland en vooral Amerika. Zij ondertekenden zelf de schilderijen van Frese, zodat die officieel geen vervalsingen maakte. De in Franeker geboren Doede had een galerie in Californië, waar hij de schilderijen van Frese aan de man bracht. Vermoedelijk zijn er op die manier duizenden emigranten blij gemaakt met een nostalgisch kunstwerk uit vooral de Hollandse school. Aalberts: ‘Knoop, voormalig eigenaar van Prestige Art Gallery, had een vriendschapsrelatie met Frese, die hem adviseerde bij aankoop van kunst. Frese heeft ook 160 aquarellen voor Knoop gemaakt, gesigneerd met de meisjesnaam van Knoops vrouw. Dat soort opdrachten voerde hij ook uit.’ Volgens Aalberts kon Frese alles schilderen, maar het meest hield hij zich bezig met de zogenaamde middenmarkt. ‘Het beste daarvan is naar het buitenland gegaan. Maar dat iemand in Nederland met trots een Breitner laat zien, die door Frese is geschilderd, is niet denkbeeldig. Ik heb met mensen gesproken die mij vertelden dat ze bij Frese ongesigneerde werken hebben zien staan van: Evert Mooi, Charles Dankmijer, Cornelis Vreedenburgh, Willem Witsen, Marie Henri Mackenzie, Johan Hendrik van Mastenbroek, George Hendrik Breitner, en Isaac Israels. Het zijn er ongetwijfeld nog meer geweest. Gerenommeerde galeriehouders haalden ze bij bosjes op.’ Het is een geraffineerde manier van werken geweest. Frese ondertekende de schilderijen niet, dat liet hij aan de handelaren over, zodat hij zelf geen vervalser was. Zijn zoon Henny vertelde Aalberts dat tot vlak voor de dood van zijn vader de mensen in de rij stonden en vroegen of hij niet nog een schilderij kon maken. Op de vraag of we te maken hebben met wellicht de grootste vervalser ooit in Nederland, knikt Aalberts bevestigend: ‘Ik durf te zeggen dat als je het aantal vervalste schilderijen van Frese vermenigvuldigt met de prijs, dat je over een grotere zaak praat dan die van Han Vermeegeren en Geert Jan Jansen samen.’

Artikel in Privé
Hoewel Frese een teruggetrokken leven leidde en uit de publiciteit bleef, heeft hij zich in 1982 toch laten interviewen door Gideon van Aartsen voor het weekblad Privé. Van Aartsen was bij hem terecht gekomen via de branieachtige Gerbrandt Visser, die beweerde dat hij in Rembrandts en Van Goghs grossierde. Ook Visser was diep onder de indruk van het talent van Frese. ‘De schilderijen liggen opgestapeld in zijn slaapkamer. Certificaten van echtheid? Geen probleem. Hij levert ze erbij. Vooral goedgelovige Amerikanen nemen zijn ‘real old Dutch art’ voor forse bedragen af. Dat die oude meesters in werkelijkheid kersvers uit de ateliers van hedendaagse schilders komen beseft men niet.’ Om de proef op de som te nemen reist de journalist naar Abcoude en vraagt of ze een paar goede imitaties kunnen maken. Privé: ‘Niet Jobst Frese, maar diens zoon en opvolger Henny hapt toe, voor een paar honderd gulden. “Ik versier wel wat oude vellen papier. Kom over een week of twee maar terug om het resultaat te bekijken,” zei hij toen we hem vroegen of hij een aantal Van Gogh-tekeningen kon maken.’ Tijdens het gesprek vertelt Frese dat hij wel schilderijen namaakt, maar nooit zijn handtekening eronder zet. “Als Gerbrandt Visser een Van Gogh of andere handtekening onder mijn prenten plaatst en daarmee gaat leuren, dan moet hij dat weten.” Een wonderlijke bekentenis van Frese in dat interview is ook dat certificaten van echtheid niet moeilijk te verkrijgen zijn. Hij noemt zelfs de naam van de gerenommeerde kunsthistoricus professor Willem Vogelenzang, die volgens hem voor een fles drank en tweehonderd gulden een verklaring opmaakte. Kok: ‘Die praktijk reflecteert de tijd waarin bij het toeschrijven van kunstwerken nog vertrouwd werd op het oog van kunstkenners en -handelaren. Nu is dat met de hedendaagsegeavanceerde technieken en apparatuur ondenkbaar.’

Piet Jacobs
Dat we te maken hebben met wellicht de grootste vervalser in Nederland bevestigt ook Piet Jacobs, bekend van zijn monumentale lexicon Beeldend Nederland. Jacobs, van origine socioloog, kwam via zijn vrouw in de kunsthandel terecht. Hoewel hij geen groot kunstkennerwas, merkte hij al gauw dat je op de minder prestigieuze veilingen vaak vervalsingen tegenkomt. ‘Je kunt op diverse manieren beoordelen of een kunstwerk vals is, een daarvan is de signatuur. Dat vond ik interessant en ik had er oog voor. Ik begon ze in boekjes na te maken, daarna legde ik een databank aan. Ik kan vrij snel zien hoe de handtekening op het doek is gezet en daarover een oordeel geven. Zoals ik meteen zie dat deze handtekening onder deze Schwitters niet klopt. Maar ook de compositie van het schilderij is dubieus, ook daarin heeft een kunstenaar natuurlijk zijn signatuur. Ik denk niet dat dit een vervalsing van Jobst is, wellicht van zijn zoon, maar van hem weet ik minder.’ Jacobs omschrijft Jobst Frese als een enigszins gezette man, een bon vivant. Een goedmoedige man bij wie hij graag verbleef. ‘Hij was van gereformeerde komaf en zag er geen been in het hemelse met het aardse te verbinden, wat typisch gereformeerd is. Toen ik hem leerde kennen was hij al gescheiden en het was een enorme rommel bij hem thuis. Hij maakte wat de handelaren vroegen en verdiende daar zijn geld mee. Hij deed nergens moeilijk over. Het maakte hem niet uit dat een ander aan hem verdiende.’ Volgens Jacobs onderhield Frese goede relaties met vooraanstaande galeriehouders, die hij niet alleen van zijn schilderijen voorzag, maar ook adviseerde. Hij bezocht kleinere veilingen, zoals De Zon en De Zwaan, waar hij goede werken op de kop tikte, met name van de Haagse School. Jacobs: ‘Frese schilderde graag in de trend van dat soort schilders. Hij kopieerde ze niet exact en ondertekende de schilderijen niet. Kenners zien het verschil wel, maar voor de handelaren was het een lucratieve business. Natuurlijk begreep hij wel wat een handelaar ermee ging doen als die weer vijftig schilderijen in de sfeer van Israels bestelde.’Voor handelaren die Frese goed kende maakte hij vervalsingen van Israels, die hij wel met die naam ondertekende. ‘Hij deed er altijd een beetje lacherig over. Zelf heb ik ook aquarellen laten maken voor de lagere segment van de handel. Die heb ik doorverkocht, ondertekend met de naam van mijn vrouw, A v. Casteren. Zo’n aquarel maakte hij in drie minuten na van een ansichtkaart, soms wel honderd op een avond. In zijn huis lagen stapels kunstwerken in alle soorten en maten. Ik heb er hier ook nog veel van liggen.’ Frese was een van de spinnen in het web van de handel, die zich op twee niveaus afspeelde. De productie van goedkope aquarellen en tekeningen en het kopiëren van gevestigde kunstenaars. ‘Ik schat dat hij wel twintigduizend kunstwerken heeft gemaakt, waarvan een groot aantal als vervalsing kan worden aangemerkt. Bij negentig procent daarvan heeft hij niet zelf de naam van de kunstenaar eronder gezet en bij zo’n tien procent wel. Daarbij moet ik benadrukken dat hij er niet op uit was een exacte kopie te maken van bijvoorbeeld een Breitner, die pretentie had hij niet. Hij maakte er een soort Frese/Breitner van. Dat maakte de handel overigens niet uit.’ De vraag is: was het strafbaar wat hij deed? Hier twijfelt Jacobs. ‘Ik denk dat als ik rechter zou zijn, ik tegen de koper zou zeggen dat die beter had moeten uitkijken. Maar het mag natuurlijk niet. Vervalsers als Van Meegeren en Geert Jan Jansen hadden andere motieven, denk ik. Die schilderden duidelijk in de stijl van iemand. Dat deed Frese niet. Iedere kenner ziet het verschil tussen zijn schilderijen en die van de originele. Hij verkeerde in een schimmige wereld, maar was een buitengewoon aardige man. Hij wilde anoniem blijven en daar heeft de handel gebruik van gemaakt. Er zijn heel wat mensen die graag een schilderij van een bekendheid aan de muur hebben hangen en daar niets voor willen betalen. Die zijn op hun wenken bediend.’

Afbeelding / wikipedia.org

Rubriek Gastbijdrage

Rob van Olm

De Rotterdamse schrijver en onderzoeksjournalist Rob van Olm (1947) publiceerde romans en journalistieke boeken, zoals 'Verloren dagen', een roman over de Spaanse burgeroorlog, en ...

Bekijk profiel