Armoedebeleid mét of zónder ambitie?

2-8-2016 10:49

Door Hans van Willigenburg

Waarom ‘Stevige Start’ ernstig tekort schiet als basis voor een eerlijker Rotterdam – reactie op het artikel van Leefbaar-raadslid Ira van Winden

Rotterdam armoedevrij maken is een ambitieuze doelstelling, zeker. Maar vaak is het najagen van een onhaalbaar doel een effectieve manier om een zinnige, eerste aanzet te geven tot het bereiken ervan. Het sociale programma ‘Stevige Start’ van de gemeente Rotterdam geeft zelfs die aanzet niet en dient vooral de korte termijn doelen van de politici en beleidsmakers die het organiseren, stelde ik in dit artikel. Leefbaar-raadslid Ira van Winden vond dat een veel te hard oordeel en schreef deze reactie. Omdat armoede de komende jaren, helaas, een belangrijk issue zal blijven (wereldwijd én in Rotterdam) hierbij een reactie op de bijdrage van Van Winden. Niet om elkaar vliegen af te vangen, te hakketakken, maar om het huidige debat inzichtelijk te maken en het denken over armoede en armoedebeleid vooruit te helpen. 4 fundamentele denkverschillen in hoe Van Winden ‘Stevige Start’ verdedigt en wat inzake armoedebestrijding eigenlijk vanaf morgen noodzakelijk is.

Bij sommige bestuurders en raadsleden op de Coolsingel schoot het Stadslog-artikel ‘Rotterdam pakt wéér niet door inzake armoedebestrijding’, een analyse rond het gemeenteprogramma ‘Stevige Start’, in het verkeerde keelgat. Op zich is dat een hoopgevend teken: het betekent, één, dat het gelezen is en, twee, dat het in zijn (kritische) benadering hoe dan ook iets ‘geraakt’ heeft dat in het stadhuis aanzette tot reageren. Logisch, misschien: want op de Coolsingel praat men elkaar al enige tijd aan (en na) dat er ‘met ambitie’ (zie het collegeprogramma) aan de stad wordt gewerkt, terwijl uitgerekend de meest kwetsbare Rotterdammers, zo stelt het omstreden artikel, weinig merken van die ambitie (of urgentie), maar onderwerp zijn van bij elkaar geraapte lapmiddelen die weinig effect sorteren. Om de redenering achter dit bestaande beleid op ieders netvlies te krijgen, zijn we blij met het artikel van Ira van Winden (Leefbaar Rotterdam), vooral omdat het zo illustratief is voor de uiteenlopende visies op het armoedevraagstuk en de onderlinge begripsverwarring. Vandaar het nu volgende punt voor punt inzoomen op haar bijdrage.    

1.TEN ONRECHTE UITGAAN VAN GELIJKHEID

Van Winden begint haar verdediging van het programma ‘Stevige Start’ met de volgende, veelzeggende openingszin: ‘Laat ik voorop stellen dat in principe elke volwassene verantwoordelijk is voor de inrichting van zijn leven en het goed verzorgen van zijn kinderen.’ Dit lijkt een prachtig en onweerlegbaar basisprincipe, het klinkt redelijk, als een inclusief gebaar, maar moffelt meteen al het gegeven weg dat er jaarlijks duizenden kindjes in Rotterdam worden geboren die aantoonbaar minder kansen hebben om ‘goed op te groeien’, dat wil zeggen, minder kans hebben op een probleemloze hechting en een gezonde (hersen)ontwikkeling.  Pas als de vroegste levensjaren in een stimulerende en sociaal veilige omgeving kan worden doorgebracht is aan de basisvoorwaarden voor zelfstandig functioneren voldaan. Pas wanneer ieder kind in Rotterdam in zo’n omgeving zou opgroeien (wat overduidelijk niet het geval is, Rotterdam kenmerkt zich door extreme verschillen in deze) zou de bewering van Van Winden gerechtvaardigd zijn. Met haar openingszin suggereert ze een gelijkheid die dus helemaal niet bestaat. Deze ongelijke uitgangssituatie zou een uitdaging voor elk gemeentebestuur moeten zijn om op zijn minst te gaan nadenken over het verminderen (dan wel opheffen) van die ongelijkheid (laat staan dat er plannen komen om die meer gelijke situatie daadwerkelijk tot stand te brengen). Immers, pas als er, in moderne termen, sprake zou zijn van een ‘level playing field’ zou de openingszin van Van Winden correct zijn en geheel op zijn plaats vallen. Om dat ‘level playing field’ zo snel mogelijk dichterbij te brengen is het overigens nuttiger te focussen op het levensbegin van pas geboren Rotterdammers, dus op goede basisvoorzieningen als kinderopvang, dan, zoals Van Winden in haar bijdrage doet, op het aanspreken en coachen van ouders die al een (vaak bewogen) levensgeschiedenis achter de rug hebben. 

2.TEN ONRECHTE VERKLEINWOORDJES GEBRUIKEN, WEGENS GEBREKKIG BESEF VAN URGENTIE

Eveneens in de eerste alinea maken we kennis met de luchtige manier waarop Van Winden (en vermoedelijk haar partij en het college in haar kielzog) tegen de problematiek aankijkt. In Rotterdam is volgens haar geen tweedeling zichtbaar die dringend toe is aan een serieuze tegenaanval om dat gewenste ‘level playing field’ tot stand te brengen. Nee, het is volgens Van Winden reeds meer dan voldoende als  (let op het verkleinwoord) ‘mensen een eindje op weg worden geholpen’ en dat de overheid daarbij (let weer op het verkleinwoord) ‘een stapje naar voren doet’ om daarna ‘weer een stapje terug te kunnen doen’. Onmiddellijk wordt helder waarom Van Winden het programma ‘Stevige Start’ wél omhelst, wél waardeert en wél beoordeelt als een (citaat) ‘compleet actieprogramma’. Er is sprake van een schrijnend verschil in ambitieniveau. Terwijl Van Winden al blij is met een helpend ‘handje’ en een ‘eindje’ op weg helpen laat de realiteit zien dat de meest kwetsbare individuen en gezinnen, helaas, een grotere inzet en ‘commitment’ van de overheid vragen om hen weer op het rechte pad van zelfstandig functioneren te krijgen. Opeens wordt duidelijk waarom Van Winden (en het stadhuis) waarschijnlijk goed kan leven met het vaak gebrekkig functioneren van gemeenteloketten die kwetsbare Rotterdammers van dienst zouden moeten zijn (onvoldoende registratie, traag handelen, slechte communicatie, procedurele halsstarrigheid). Want ze is blij met elk ‘stapje’ van de overheid en elk ‘eindje’ dat ze op weg worden geholpen. Dat uitgerekend deze gemeenteloketten het front vormen in het creëren van iets dat in ieder geval meer op een ‘level playing field’ zou moeten lijken, en dat er uit dien hoofde hoge eisen aan die loketten gesteld moeten worden – daaraan werk je niet echt mee als je in lieflijke termen van ‘handje’ en ‘stapje’ blijft praten.    

3.TEN ONRECHTE MET FINANCIËLE ARGUMENTEN SCHERMEN

Bahalve dat Van Winden dus ten onrechte uitgaat van een situatie van gelijkheid (zie 1), legt ze – alweer vroeg in het artikel – een vreemde link tussen financiën en effectief armoedebeleid. Ze schrijft het volgende: ‘Leefbaar Rotterdam gelooft niet dat structureel geld geven bijdraagt aan het verzelfstandigen van gezinnen. Geld geven maakt afhankelijk, verzelfstandigen maakt sterk.’ Tegen wie heeft Van Winden het hier? Tegen haar eigen achterban, die bang is dat er geld wordt verkwist aan armoedebeleid? Tegen niet-bestaande Sinterklazen, die klaar staan met zakken geld om de kwetsbaren uit hun problemen te financieren? Het is, kortom, onduidelijk tegen wie Van Winden het hier heeft. Er wordt in het oorspronkelijke artikel namelijk nergens voorgesteld om structureel geld te geven aan wie dan ook. En als Van Winden beweert dat gezond opgroeien ‘van meer afhangt dan van een gevulde portemonnee’ en ‘mensen die hard werken’ en ‘weinig te besteden hebben’ dikwijls ‘prima kunnen rondkomen’, heeft ze daar helemaal gelijk in. Het valt echter te vrezen dat ze met dit voorbeeld vooral probeert te benadrukken dat armoedebeleid, ofwel dat eerder genoemde helpende ‘handje’, weinig geld hoeft te kosten (‘elke volwassene is zelf verantwoordelijk’). Dat zou dan eens te meer een bewijs zijn van onderschatting van de situatie. Want voor het investeren in een gezonde groei van alle Rotterdamse kinderen, in alle wijken, is wel degelijk een ‘oorlogskas’ nodig (eentje die met enige politiek lef overigens makkelijk is op te brengen), maar het goede nieuws luidt: die ‘oorlogskas’ wordt op de lange termijn ruimschoots terugverdiend, omdat een verstandig en goed georganiseerd preventiebeleid over een mensenleven gerekend veel meer geld oplevert dan het kost. Om deze ‘winst’ (in humane én financiële zin) tot stand te brengen zou het wenselijk om over collegeperiodes van vier jaar heen te kijken (heet dat tegenwoordig niet ‘duurzaam’?). Maar Van Winden vindt het wel best zo. In een ander college met ‘andere ideeën’ over dit onderwerp ziet ze geen probleem. Terwijl het haar zou sieren als ze aan haar achterban zou uitleggen dat een duurzame aanval op armoede en achterstand ook voor hun portemonnee een zegen zou zijn.

4.TEN ONRECHTE OP HET SENTIMENT SPELEN INZAKE ‘MENTORMOEDERS’

Terwijl de inleiding van Van Winden’s artikel snel duidelijk maakt waarom er verschillende inschattingen bestaan over de waarde van het programma ‘Stevige Start’ (kritisch versus tevredenheid), is er nog één aspect dat aandacht behoeft, de zogenaamde ‘mentormoeders’. In het oorspronkelijke artikel wordt niet, zoals Van Winden suggereert, hard en cynisch geoordeeld over de mentormoeders zèlf, maar over de context waarin ze worden ingezet. Ook hier laat zich het verschil in urgentie voelen. Óf je vindt het voldoende, zoals Van Winden, om ongediplomeerde mentormoeders na een korte cursus los te laten op kwetsbare moeders en ze deels verantwoordelijk te maken voor de kwaliteit waarmee ze hun kinderen opvoeden.  Óf je vindt de zaak dermate ernstig dat je alleen akkoord bent als gediplomeerde professionals hierin de leiding nemen en mentormoeders daarin een ondersteunende rol spelen. Wat niet wil zeggen dat die ondersteunende rol onbelangrijk is, of niet waardevol. Integendeel. Niet-professionele aandacht, ‘van mens tot mens’, is van essentieel belang. Daar kan nooit genoeg van zijn. Maar dat is iets anders dan ongediplomeerde krachten met pedagogische opdrachten op pad sturen, zoals in ‘Stevige Start’ de (al of niet cynische) bedoeling lijkt.

TOT SLOT: DE MERITOCRATIE KLOPT AAN DE DEUR    

Laten we realistisch zijn en niet vergeten dat de bijdrage van Van Winden ‘in lijn’ is met de dominante denkrichting inzake (ineffectief) armoedebeleid, dat er al tientallen jaren niet in slaagt het aantal Rotterdammers onder de armoedegrens te verminderen. De naderbij komende ieder-voor-zich-meritocratie, waarin een terugtredende overheid burgers volledig verantwoordelijk stelt voor hun plekje op de maatschappelijke ladder om slechts via een beperkt aantal loketten mondjesmaat assistentie te verlenen (‘de rest moet u zelf doen’), is een toekomstbeeld dat in de samenleving op veel steun kan rekenen (‘dan moet je maar harder werken!’). Het inzicht dat uitgerekend zo’n meritocratie pas kans van slagen heeft als er enigszins sprake is van een ‘level playing field’ en er dus, stadsbreed, fundamentele investeringen gedaan moeten worden in basisvoorzieningen (onderwijs, kinderopvang, digitale hulpverlening), kortom, in het systematisch wegwerken van sociale achterstanden, is nu nog beperkt tot politici die in de reguliere pers als ‘extreem links’ of ‘socialistisch’ worden omschreven, denk aan Jeremy Corbyn (Labour, Groot-Brittannië) en Bernie Sanders (Democraten, Amerika). Maar de toekomst zal leren aan welk soort meritocratie het electoraat de voorkeur geeft, die met een min of meer gelijk startpositie of een ongelijke. Overigens heeft de drang naar gelijkheid niets met 19e-eeuws 'socialisme' te maken, maar met de 21-ste eeuwse overtuiging dat júist als je in de kracht van een maatschappij van concurrerende individuen gelooft, zoals wij allen steeds meer doen, investeren in een (meer) gelijke uitgangspositie verstandig en noodzakelijk is.   

Het Stadslog-artikel probeert slechts te laten zien dat het programma ‘Stevige Start’, langs de meetlat van het ‘level playing field’, gekenmerkt wordt door een ernstig gebrek aan ambitie. Juist omdat de initiatiefnemers de suggestie wekken dat met een beperkt aantal huisbezoeken een grote slag wordt geslagen inzake psychosociale en gezondheidskundige achterstanden, ontstaat het gevoel dat er al ‘actie’ wordt ondernomen. Met als gevolg dat de urgentie om aan een wérkelijk effectieve aanpak van de armoede in Rotterdam te beginnen, helaas, nog verder afneemt.

‘We gaan het dóen!’ zou bij armoedebestrijding het motto moeten zijn, niet ‘we doen iets’.

Begin september is Stadslog Rotterdam uitgenodigd bij de verantwoordelijke wethouder, Hugo de Jonge (CDA). Inzet van onze kant zal zijn hem te interviewen over de effecten en ambities van het programma ‘Stevige Start’. Als alles volgens plan verloopt, zal de uitwerking daarvan op deze site te lezen zijn. 

Rubriek Het feest van de praktijk

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel