Rotterdam, omárm de filosofie!

22-5-2015 12:39

Door Hans van Willigenburg

Armoedebeleid en filosofie. Wat hebben die in hemelsnaam met elkaar te maken? Meer dan je denkt. Omdat armoede bijna altijd een vorm van stress is, leidend tót armoede of een gevolg is daarvan, zou elke vorm van stressbestrijding, dus ook filosofie onderwijs, hoog op de agenda moeten staan. Wanneer begint de stad van Erasmus eindelijk het goede voorbeeld te geven? En op elke school serieus werk te maken van het vak Filosofie?

 

Misschien wel de belangrijkste vraag van de 21-ste eeuw…

 

‘Ben ik belangrijk?’

 

Deze vraag speelt (veel meer nog dan ‘verdien ik genoeg?’) een prominente in zowat ieders leven. Sommigen willen belangrijk zijn voor een grote groep mensen, sommigen nemen genoegen belangrijk te zijn voor een kleine verzameling intimi en weer anderen vinden het voldoende als ze in ieder geval zelf vinden dat wat ze doen belangrijk is. Iedereen begrijpt dat het ambitieniveau van belangrijk-gevonden-worden lang niet bij iedereen parallel loopt met de werkelijkheid. En dat grote verschillen in deze verhouding onherroepelijk leiden tot stress- en conflictsituaties, al of niet uitmondend in geweld. Eén van de redenen dat effectief armoedebeleid zoveel nadruk legt op een gezonde hechting tussen moeder en kind tijdens en na de zwangerschap, is, plat gezegd, dat het kind bij een gezonde hechting op ‘natuurlijke’ wijze (via moederliefde) een bevestigend antwoord krijgt op de vraag of hij/zij belangrijk is, daaraan in een vroeg stadium een gezonde mate van zelfachting ontleend en dankzij die zelfachting in veel gevallen een ‘goede start’ in het leven kan maken (met verminderde kans op stressklachten). Idealiter ondergaat elke, piepkleine burger zo’n gezonde hechtingsperiode, maar, helaas, is dat niet voor iedereen weggelegd. Zeker niet in een drukke wereldstad als Rotterdam.    

 

Hoe filosofie kan helpen

Omdat niet iedereen die gezonde hechtingsperiode in zijn rugzakje heeft zitten en er dus legio mensen in Rotterdam rondlopen met het idee niet-belangrijk-te-zijn of, op zijn minst, amper-belangrijk-te-zijn, verdient het aanbeveling om dan in ieder geval de tweede beste optie te stimuleren (ná een gezonde hechtingsperiode), namelijk: algemeen filosofie onderwijs! Zolang er niet of nauwelijks reflectie is op filosofische vragen als wat-is-nou-eigenlijk-belangrijk?’ en de overgrote meerderheid die vraag, bij gebrek aan eigen denkkracht, laat beantwoorden door de wereld om hen heen, hebben we een recept voor frustratie, ongenoegen, ontsporing en geweld in handen. Want de wereld om ons heen, met de media als exponent daarvan, pepert de consument, bedoeld of onbedoeld, voortdurend in dat de stem van slechts enkelen belangrijk is en dat de mening of visie van een kijker of  lezer hoogstens de moeite waard is als voetnoot, in een twitterbalk of op een reactiepanel. In het slechtste geval wordt dit opgevat als een (diepe) belediging of ontkenning van het eigen bestaan, waarna er niet zelden wordt overgegaan tot (digitale) scheldpartijen en ruzies, die vervolgens – ironisch genoeg! – weer dankbaar materiaal vormen voor diezelfde media om aan te tonen hoe barbaars en achterlijk ‘het volk’ is. Hoe anders zou het zijn als meer mensen aan de hand van filosofische lessen zouden leren nadenken over wat-zij-belangrijk-vinden en hoe ze zelf vervolgens een rol kunnen spelen in wat-zij-belangrijk- vinden. Toegegeven: vergeleken met een goede hechtingsperiode is filosofie onderwijs een ‘second best option’, maar breder leren kijken naar de werkelijkheid en naar je eigen rol daarin, beter leren begrijpen dat er verschillen zijn tussen wat-jij-belangrijk-vindt en wat-wij-met-zijn-allen-belangrijk-vinden (en verschillen daartussen aanvaarden), werkt uiteindelijk stress verlagend. Want veel stress en langdurige armoede is terug te voeren op de telkens terugkerende emotie belangrijk-te-willen-zijn en vervolgens permanent het omgekeerde ervaren.          

 

Let op: uiteindelijk gaan ook de rendementsdenkers om

De roep om een meer prominente plek voor het vak Filosofie op lagere en middelbare scholen is niet nieuw. Maar de huidige (ogenschijnlijk onomkeerbare) ontwikkeling naar een ‘superkapitalisme’ geeft het pleidooi nieuwe kracht. Én nieuwe bondgenoten! Onlangs nog pleitte oliereus Shell in een door het bedrijf gesponsord krantje dat onderwijs moet leren ‘dat er op een vraag meerdere antwoorden mogelijk zijn’. Het is (nog) geen rechtstreeks pleidooi voor het vak ‘Filosofie’, maar wel een erkenning van de noodzaak leerlingen zelf kritisch (lees: filosofisch) te leren nadenken. Ook Shell begrijpt de ‘grote lijn’ van over tien of twintig jaar, namelijk: dat de mens van de toekomst steeds minder door een bedrijf, instelling of kerk te motiveren zal zijn en die motivatie steeds meer uit zichzelf zal moeten halen, zonder nog kant-en-klare voorbeelden uit de buitenwereld te kunnen halen.

 

Terug naar armoedebestrijding. Zoals in het Stadslog-interview met Paul Frissen werd benadrukt, is armoede een relatief begrip en valt het, zeker in een welvaartsstaat, veel meer dan als materiële gebrekkigheid te definiëren als een gebrek aan mogelijkheden, ideeën, bewegingsruimte, perspectief. Het eerste gebrek is economisch van aard (en op termijn oplosbaar), het tweede is veel taaier, want geestelijk van aard. Juist omdat de baan als zingevende kern in het ‘superkapitalisme’ op de tocht komt te staan, en misschien zelfs verdwijnt, zou het stimuleren van de creatieve hersenen (filosofie!) uit oogpunt van armoedebestrijding prioriteit moeten krijgen.

 

Met het illustere ‘Lof der Zotheid’ heeft onze eigen Desiderius Erasmus in feite een perfecte voorzet gegeven om werk te maken van filosofieonderwijs in Rotterdam.

 

Wie pakt het op? 

 

Afbeelding / writers-write-creative-blog.posthaven.com

Rubriek Het feest van de praktijk

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel