BEZOEK

1-8-2016 13:41

Door Stefan van Hoek

'Grrrrrrllllloeps,' of iets in die trant, hoorde ik, tegelijkertijd met het toegenomen geloei van de stofzuiger, die enige momenten een hoger toerental moest draaien om het vuil van de keukenvloer in zijn binnenste te kunnen ontvangen. Ik kreeg de indruk dat de grote stofvlok die ik vanachter de koelkast vandaan zoog niet zomaar een stofvlok was, maar een uitgedroogde muis. Zijn 'grrrrrrllllloeps' was alsof het beestje post mortem nog weerstand had willen bieden aan interne opname in het huishoudelijk apparaat.

Ik had al een maand geen muizenkeutels aangetroffen. Zo lang er gif had gelegen, was het iedere dag prijs geweest: de korrels waren opgegeten en er waren keutels voor in de plaats gekomen. Op enige zindelijkheid viel dat gespuis niet te betrappen. Kennelijk hadden muizen niet de beschikking over een opperwezen dat een van hen ooit had ingefluisterd dat het netter was je behoefte te doen op een op riolering aangesloten toilet, zoals meer ontwikkelde species dat deden.

Juist nádat ik was gestopt met gifkorrels strooien, hadden de beestjes het klaarblijkelijk te min gevonden mijn onderkomen nog met een bezoek te vereren. Maar in dit geval had ik dus wel degelijk nog een muis gezien – en in zekere zin ook gehoord – al was het een heel erg dooie muis.

De 'grrrrrrllllloeps-anekdote' dateert al van enige tijd geleden. Vanochtend werd ik wakker van gefladder. Binnenshuis gefladder. Aangezien ik koffie voor het opstaan niet automatisch intraveneus krijg toegediend, kon ik het niet onmiddellijk opbrengen mijn hoofd vanonder mijn dekbed te halen om de herkomst van het gefladder op te sporen. Je kunt bij mij 's ochtends een krokodil aan een lichaamsdeel naar keuze laten happen. Ik zal er nauwelijks op reageren als ik nog geen koffie in mijn systeem heb. Ook de krokodil kan naar keuze zijn. Een alligator of een kaaiman. Kijk maar even. Ik heb vóór de koffie de puf niet me waar dan ook druk om te maken en al helemaal niet om op te zoeken of het nu een kaaiman of een alligator is die zich aan me te goed ligt te doen.

Na circa tien minuten bij zinnen komen, wist ik de energie op te brengen om te kijken waardoor het gefladder werd veroorzaakt. Een zwart schepseltje vloog in de rondte door mijn slaapkamer. Ik zou mezelf nu niet bepaald een ornitholoog (dat is een vogelkenner) willen noemen – zelfs een plofkip herken ik slechts aan de prijs op de verpakking – maar in dit geval was het me al snel duidelijk dat het beestje in kwestie geen raaf of merel was. Het moest een vleermuis zijn. Geen vogel, dus. Had ik geen muizen meer, kwam er een vleermuis me het leven zuur maken. En denk maar niet dat een vleermuis in zijn batmobile komt aanrijden, bij je aanbelt, vraagt of hij je parkeervergunning mag gebruiken, zijn voertuig netjes weg zet en in de keuken in alle stilte zittend op een stoel zijn dagelijkse rantsoen van de helft van zijn gewicht aan insecten verorbert. Nee, dat kan natuurlijk weer niet in alle rust gebeuren. Dat moet met nerveus makend snel heen en weer bewegende vleugeltjes van de ene hoek naar de andere hoek van de slaapkamer vliegend.

Erg veel kon ik er verder niet van vinden. Ik had immers nog geen koffie op. Wel wist ik de sociaalgeografische logica op te brengen die me leerde dat het wellicht handig zou zijn het raam open te zetten. Ik ging staan, schoof het gordijn opzij en deed zoals me was ingevallen, om vervolgens weer onder mijn dekbed te kruipen. Zo lang ik me bedekt wist, verkeerde de vleermuis in feite helemaal niet in mijn habitat. Gedurende de periode dat ik op mijn gemakje wakker lag te worden, kon 'het enige vliegende zoogdier ter wereld' rustigjes aanstalten maken de wijde wereld weer eens in te trekken.

Langzaam bij mijn positieven rakend nam ik de activiteiten voor de komende dag door. Al snel was ik me niet eens meer bewust van het gefladder. Ik moest sollicitatiebrieven schrijven. Hoewel? Dat lag meer genuanceerd: ik moest via een webzijde automatisch solliciteren op banen als belcentrummedewerker. Het was een eenvoudige kwestie van je één maal inschrijven, één maal een aantal standaardvragen beantwoorden en één maal je cv bijvoegen. Inmiddels wist ik van dit belcentrumwerk dat ik geschikt was voor inbound en totaal ongeschikt voor outbound. Bij inbound zou ik gebeld worden en mensen kunnen helpen met het oplossen van hun problemen. Bij outbound zou ik mensen moeten stalken om ze iets aan te smeren. Er schoot me een aforisme te binnen, dat ik de titel 'Herinnering van een outbound belcentrummedewerker' meegaf. 'Tuut-tuut-tuut-tuut', luidde de redelijk eenvoudig en bondig gehouden tekst.

Ik sloeg het dekbed van me af en keek of er pen en papier naast me lagen om het aforisme op te schrijven. Dat bleek niet het geval te zijn. Kortom: het was zo ver. Ik moest aan mijn dag beginnen. Ik kwam rechtop, liep naar mijn werkruimte, ging achter het bureau zitten en zette de computer aan, om 'Herinnering van een outbound belcentrummedewerker' direct in de map 'Aforismen' op te slaan. Daarna liep ik naar de keuken om me een kop koffie te prepareren. Terug in mijn slaapkamer merkte ik pas dat het gefladder werkelijk was opgehouden. Kennelijk had de vleermuis geconcludeerd dat ik weliswaar geschikt was voor inbound, maar dat dit niet hetzelfde inhield als ongelimiteerde gastvrijheid.

Ik kan niet stellen dat de dag verliep als de meeste dagen. Vandaag deed ik namelijk eens wel wat ik me had voorgenomen. Daarbij geholpen door de agenda, cq. to do list die ik tegenwoordig bijhield. Ik solliciteerde op twee banen als inbound belcentrummedewerker. Via de inbox van mijn e-mail mocht ik een afwijzing ontvangen op de vacature van klantadviseur bij een bank. Om nu te beweren dat ik door de afwijzing niet meer wist wat ik verder moest met mijn leven zou een tikkeltje aan de hysterische kant zijn. Dat wist ik toch al niet.

Verder verliep de dag min of meer als de meeste dagen. Tijdens het doen van de grote boodschap maakte ik het kruiswoordraadsel uit het ochtendblad en concludeerde dat het me ook dit maal weer in een dermate korte tijd was gelukt, dat ik nog geen slapend been had toen ik opstond. Ik ging terug naar mijn slaapkamer, kleedde me uit en sloeg een handdoek om mijn middel om onderweg naar de badkamer niet mijn adamskostuum veil te geven aan eventuele voyeurs in de tegenover gesitueerde bebouwing. Ik douchte me, droogde me af, trok mijn kleren aan, deed boodschappen voor het avondeten, zei overdreven netjes 'insgelijks' toen de caissière me nog een fijne dag wenste, zette thuis de boodschappen waar ze hoorden – in de koelkast of op de plankjes aan de muur.

Ik dronk koffie, dronk nog meer koffie, ging nogmaals poepen, veegde mijn aarsgat grondig af, waste mijn handen, sneed een ui en augurken, opende een blik kapucijners, verwarmde die, bakte tegelijkertijd spekjes, at vervolgens mijn avondmaaltijd en speelde tegelijkertijd een stevig robbertje Candy Crush Saga. Daarna ging ik op mijn bed liggen lezen.

Het enige wat qua maaltijd had afgeweken van de routine was het feit dat ik dit maal geen piccalilly over de kapucijners had gedaan. Ik vond de hoeveelheid ui, augurk en spekjes het eten voldoende smaak verschaffen.

Juist toen ik aan pagina 30 in Tsjevengoer, roman van een stad van de Russische schrijver Andrej Platonov was begonnen en Prochor Abramovitsj zijn zoon Prosjka voor 'duivelsgebroed' uitschold, begon het fladderen weer. Had ik dat. Kennelijk had het pleuriskreng zich de hele dag ergens verscholen gehouden. Hoewel ik er vanwege de mogelijkheid dat muggen door het licht naar binnen zouden worden gelokt niet dol op was, stond ik toch op, schoof het gordijn opzij en opende het raam. Vervolgens liep ik naar mijn werkkamer en pakte de zaklamp van mijn bureau. Zo kon ik de vlucht van het beestje beter in de gaten houden.

De vleermuis vloog van de ene naar de andere hoek van de slaapkamer, probeerde telkens met zijn pootjes grip te krijgen, maar de muren zijn dermate glad gestuukt dat dit makkelijker gezegd dan gedaan was. Dus vloog ie dan weer terug naar de andere hoek van de slaapkamer. En zo bleef het kreng een poos een perpetuum mobile imiteren. Telkens als ik het beestje op het geopende raam zag afvliegen en dacht een uitzwaaidag voor 'm te kunnen organiseren, verlegde het op het laatst zijn koers en vloog naar boven, richting plafond. Godverdomme. Altijd was me geleerd dat vleermuizen over een uiterst geavanceerd sonarsysteem beschikken. Voor dit exemplaar was het echter al te moeilijk om even recht door een wijd geopend raam naar buiten te vliegen. Dat moest mij weer overkomen. Had ik de pech een vleermuis als ongenode gast te hebben, was het nog een vleermuis met een beperking ook. Wat? Met een beperking? Laten we het beestje gewoon bij de naam noemen: het was een debiel vleermuisje.

Steeds als het kreng op mijn gezicht af vloog, leek het of het me aanviel. In die gevallen haalde ik met de zaklamp naar 'm uit. Nu kunt u van me beweren dat ik een lafaard ben, omdat ik het niet met de blote vuist tegen zo'n miniem wezentje durfde op te nemen. Dan moet ik tegenwerpen dat ik de zaklamp óók nodig had om mijn ongenode gast beter in de gaten te kunnen houden en ik er dus geen zin in had mijn optisch hulpmiddel telkens terzijde te leggen.

Ineens was het fladderen gestopt. Ik had de vleermuis niet naar buiten zien vliegen. Cosciëntieus scheen ik met de lamp langs wanden en plafond. Pal voordat ik de lamp uit wilde knippen en het raam sluiten, zag ik een donkere vlek op de oranje en geel geschilderde ornamenten, bovenaan waar zich lang geleden een schoorsteen had bevonden. Ik richtte het schijnsel van de lantaarn op de vlek; ongeveer een minuut lang hield de vlek zich stil, toen draaide hij zich langzaam om, totdat hij geheel ondersteboven hing. Waar het schepsel fladderend nog een anonieme passant was geweest, was het nu een concreet wezen geworden. Ik kon het kopje van de vleugels onderscheiden. En erger, een moment meende ik ook dat onze blikken elkaar kruisten. Het was niet bepaald een blik van goede verstandhouding, die wij uitwisselden. Ik bedoel, ik geloof niet dat vleermuizen vampierachtige wezens zijn, ik ben ook niet direct bang de meest gruwelijke besmettelijke ziekten van ze te kunnen oplopen, maar die oogjes die een moment recht in de mijne hadden gekeken, hadden op mij een uitwerking als die van een biefstuk die ineens tegen je begint te praten. Ze deden mij – zoals men dat wel uitdrukt – de haren te berge rijzen. Dit kon ik niet over mijn kant laten gaan. Deze vleermuis moest ofwel heel snel pleitheine wezen, ofwel sterven. Eén ding was zeker: hij (of zij, weet ik veel, de vleermuisgenderkwestie is een door mij nog geheel onontgonnen kennisgebied) ging me niet de hele nacht wakker houden.

Ik pakte een met water gevuld plastic flesje van naast mijn bed en wierp het met kracht naar het bezoek. Mis. De vleermuis hing nog steeds op zijn plaats. Ook met de tweede fles wist ik het bezoek niet tot mijn prooi te maken. Wél vond het beestje het kennelijk tijd om het weer op een fladderen te zetten. Ik besloot de activiteit van de zonnige zijde te bezien en ging op de rand van mijn bed zitten; nooit eerder in mijn leven was het een vleermuis gelukt op een dusdanige wijze een beroep te doen op mijn kostbare tijd. Voor alles een eerste keer. Ik zou het beest als huisdier kunnen nemen. Dan kon ik met de ramen geopend slapen, omdat het alle muggen uit mijn nabijheid zou houden door ze uit de lucht te happen. Direct deed ik de overweging terzijde als niet ter zake dienend. Het geluid van het gefladder was minstens even irritant als dat van een zoemende mug.

Ik stond weer op. Ik moest iets anders proberen om mijn gast uithuizig te krijgen. Ik deed het grote licht in de slaapkamer uit, liep naar de keuken, deed het licht daar aan en zette er ook het raam open. Terug in mijn slaapkamer stak ik een sigaret op. Waarom slechts je eigen longen verzieken als je ook die van een vleermuis zwart kunt blakeren? En misschien joeg ik het beestje door de rook wel op de vlucht.

Met de sigaret in mijn mondhoek liep ik op het raam af. De vleermuis had het door mijn slaapkamer heen en weer vliegen gestaakt. Het leek alsof ik het in de hoek had gedreven. Het vloog nu telkens voor het raam langs, van de ene naar de andere muur. Het durfde kennelijk niet langer het gehele slaapkamerluchtruim te benutten. 'Ha, motherfucker, nou heb ik je,' zei ik, zo luid dat het bijna schreeuwen was. Ik hoopte dat mijn buren niet thuis waren. Die zouden op een bepaalde dag genoeg hebben van die merkwaardige buurman, waar nooit iemand langs kwam en die nogal eens in zichzelf praatte. Die man was eng. Die man moest uit hun buurt verdwijnen. Ze zouden een aangetekende brief naar de woningcorporatie sturen.

Plotseling vloog de vleermuis door het open raam naar buiten. Direct door naar de sonarreparateur, mocht ik hopen. Ik piekte het einde van mijn sigaret brandend naar buiten, trok beide helften van het openslaande raam naar binnen en deed het op de knip. Snel liep ik naar de keuken en sloot ook daar het raam.

Verder dan pagina 30 zou ik in Tsjevengoer, roman van een stad die avond niet meer raken. 

Afbeelding: www.thedailyskid.com

Rubriek Hoekig

Stefan van Hoek

Hij werd geboren en groeide op in de hoofdstad van de provincie Zeeland. Na het afronden van zijn atheneum-opleiding verhuisde hij naar Rotterdam om verder te schaven aan zijn mens...

Bekijk profiel