DE SPIEGEL DER SLECHTHEID

18-11-2014 22:22

Door Stefan van Hoek

Er stevig de pas inzetten en tegelijkertijd van mijn 20cl-flesje Esbjerg-wodka nippen. Dat is nu eens een kwaliteit waarover ik wél beschik. De aanvangstijd van half negen haal ik niet meer, maar half tien moet te doen zijn. Als ik op zo'n tien meter van de bushalte op de hoek van de Mathenesserlaan en de Nieuwe Binnenweg ben, zie ik lijn 44 al komen aanrijden. Krap plannen en juist op tijd aankomen, nog zo'n kwaliteit waarover ik beschik. Al wordt het dus geen half negen, maar half tien.

   Ik ben onderweg naar THIS COULD BE ROTTERDAM OR ANYWHERE, het kunstweekend in Charlois. Ik ben uitgenodigd door Gilbert van Drunen. Hij heeft als curator het onderdeel Den Spyegel der slicheyt van Elckerlijck samengesteld. Of het een bewuste verbastering is van het origineel Den Spyegel der salicheyt van Elckerlijck, weet ik niet. Zo wel, dan is het een knappe. De zaligheid van de roes die de wodka me nu verschaft tegenover de kater, de slechtheid, die ik morgen zal ervaren. Ik sla Gilbert van Drunen er hoog genoeg voor aan dat hij de tegenstelling bewust heeft gecreëerd. Niet specifiek waar het mijn alcoholconsumptie betreft, maar in het algemeen. Al zou het ook kunnen dat hij een letter uit het origineel over het hoofd heeft gezien. Het zal wel. Niet echt belangrijk.

   Mijn eerste kennismaking met Gilbert is van Facebook. Zijn commentaar op de voorspelbare 'zwaan kleef aan, kijk ons eens goed bezig zijn-reddingsactie' voor boekhandel Donner sprong me in het oog en beviel me. Hij vroeg zich af of het niet logischer en nuttiger zou zijn je in te spannen voor de kleinere boekhandel en noemde Van Gennep op de Oude Binnenweg als voorbeeld. Zelf had ik er in de praktijk al jarenlang een gewoonte van gemaakt Donner rechts te laten liggen en boeken bij Van Gennep aan te schaffen. Slechts eenmaal heb ik gedurende die periode de verkoopster van dienst tot de orde moeten praten. Het boek in kwestie moest besteld worden en daar zouden extra kosten bij komen, volgens haar. Mijn verbazing daarover uitspreken en slechts de naam Donner noemen, volstonden om de prijs de redelijke prijs te houden. Ja, laten we wel wezen: ik wil best de kleine boekhandel ondersteunen, maar mijn economische marges zijn beperkt.

   Ook op Facebook kom ik er later bij de aankondiging van het kunstweekend achter dat dáár de 'a' in 'salicheyt' niet ontbreekt. Kennelijk is er op de aankondigingsbrochure sprake geweest van een heuse ouderwetsche druckfout en heeft Gilbert de oorspronkelijke titel gewoon hergebruikt. (In werkelijkheid is er natuurlijk helegaar geen sprake geweest van een drukfout, maar heeft een of andere incapabele kantoorklerk het woord gewoon niet goed overgenomen.)

 

Persoonlijk ontmoette ik Gilbert voor het eerst tijdens de opening van een expositie in Galerie Frank Taal. Later kwam ik hem, bijna onvermijdelijk, óók regelmatig op donderdagavond tegen in café De Schouw, als er in de vitrinekast aan de pui, De Aanschouw, een nieuw kunstwerk wordt gepresenteerd. Frank Taal was jaren geleden de initiator van De Aanschouw. De kans is verwaarloosbaar klein dat je mensen die je tijdens openingen in zijn galerie treft, níet bij De Wissel tegenkomt, het wekelijks vervangen van het de week tevoren geëxposeerd kunstwerk door een volgend.

   Wie Gilbert in café De Schouw meemaakt, zou de indruk kunnen krijgen met een idioot van doen te hebben. Dan is hij soms zeer uitgesproken, op het irritante af. Soms onnavolgbaar, op het irritante af. Maar naast uitgesproken, onnavolgbaar en irritant ben ik hem in De Schouw ook vriendelijk, verstandig en redelijk tegengekomen. Net een heusch mensch. Wat me tijdens ieder gesprek weer opviel, is dat hij niet bepaald een Rotterdamse tongval heeft. Er klinkt onder meer een zachte g door in zijn dictie. Geen geboren of getogen havenstedeling, schat ik. Waar hij oorspronkelijk wél vandaan komt, weet ik niet en hoef ik ook niet te weten. Uit de vagina seiner moeder, zoals wij allen.

   Als Gilbert oorspronkelijk inderdaad niet uit Rotterdam afkomstig is, vraag ik mij af of hij – mede gezien zijn Franse voornaam – de naam 'Charlois' in eerste instantie ook op zijn Frans heeft uitgesproken in plaats van op zijn Rotterdams, 'Saarloos'. Het doet me denken aan een oud collega uit Engeland, die we na enige moeite duidelijk hadden weten te maken dat het toch echt 'Saarloos' moest zijn. Die bestelde tijdens een bedrijfsuitje in België vervolgens een 'Stella Aartoos'.

 

Deze vrijdagavond, de eerste dag van THIS COULD BE ROTTERDAM OR ANYWHERE, staat er een expositie van diverse kunstenaars in café De Spiegel aan de Katendrechtse Lagedijk op de rol. Op de kaart heb ik al gezien dat de Katendrechtse Lagedijk niet slechts een lage, maar ook een lange dijk is. Als ik de bus uit ben gestapt, besluit ik in de richting van Oud-Charlois te lopen, het kortste deel, in de hoop dat zich daar de kroeg bevindt. Maar niet voordat ik nog een slok wodka heb genomen. Ik ben van plan tot het eind van de avond in het café te blijven. Dat ga ik echter niet op een droogje doen. De kans dat ik het na een paar alcoholloze versnaperingen tussen mijn medemensen verbleven te hebben voor gezien houd, is me te groot. Het oeverloze geouwehoer in gezelschap trek ik meestal niet, dus zal ik me enigszins richting immuniteit voor het loze gesprek moeten drinken.

   Inderdaad, om café De Spiegel te bereiken moest ik deze kant op lopen. De deur van de kroeg is gesloten, maar door het raam kan ik waarnemen dat het er binnen druk is. Ik moet aanbellen. Alsof ik niet om half 10 's avonds – het daghet nota bene nog – een kroeg binnen wil, maar bij nacht en ontij het inmiddels ter ziele gegane Oude Tramhuys op het Eendrachtsplein.

   Een dikke, kaalgeschoren jongeman opent de deur. Qua postuur type hooligan, maar met twee blauwe kijkers in zijn aangezicht die slechts onschuld uitstralen. Alsof de term 'babyface' speciaal voor hem is uitgevonden. Binnen is het al druk. Om me heen zie ik diverse bekende gezichten uit het kunstenaarscircuit, die me inmiddels te familiair voorkomen. Dat ligt niet aan welk van de individuele personen dan ook, maar aan het weeë gevoel dat zich van me meester maakt als ik het idee krijg ál te zeer onderdeel van welke scene dan ook te zijn geworden. Dan moet ik oppassen voor het mechanisme van familiarity breeds contempt. Te veel gewenning en bekendheid met personen zaait de kiem van verachting.

   In weerwil van de drukte lukt het me een lege barkruk te bemachtigen, naast een mij onbekende man, wat in dit geval rustgevend is, vanwege mijn huidige allergie voor familiariteit. Ik schat hem in als vaste bezoeker van de kroeg. Ik bestel een glas bier bij de vrouw achter de bar en wacht af of ze vraagt of ze het moet opschrijven of dat ze staat op contante betaling. Dat laatste. Als ze de prijs heeft genoemd, hoor ik aan haar uitspraak dat ze inderdaad niet uit Nederland komt, wat ik gezien haar uiterlijk al vermoedde. Ik denk dat ze uit Polen komt. Omdat ik haar werkelijke naam niet heb onthouden, zal ik haar hier 'Jarislavnaya Politovskaya' noemen. Gewoon, omdat ik zin heb de lezer te ergeren met een personage dat een overdreven lange naam draagt.

   Ik kijk om me heen, monster mijn omgeving, om het eens iets meer archaïsch uit te drukken en kom tot de conclusie dat De Spiegel op het eerste gezicht niet een typisch volkscafé op Zuid is. Alle normaal aanwezige parafernalia van Feyenoord ontbreken er aan de wanden. Als ik de helft van mijn glas leeg heb, buigt de, door mij als een regular veronderstelde klant naast me zich naar me toe en vraagt wat ik nu eigenlijk kunst vind.

   'Dat daar, dat is toch geen kunst?' knikt hij in de richting van de straat. Kennelijk probeert hij mijn mening alvast in een bepaalde koers te stuwen.

   Ik draai mijn hoofd wat en zie op de muur tussen de ruiten een spiegeltje met daarop een apengezicht geplakt hangen.

   'Weet je wat ik kunst vind?' wacht hij mijn antwoord op zijn eerste vraag niet af. 'Van schilders die uit hun hoofd iets geschilderd hebben dat niet echt is. Dat ze het dus zelf hebben verzonnen. Dat vind ik kunst. En dát...' Hij knikt nog eens naar het prentje aan de muur. '...is een tekening van het gezicht van een jongetje dat op een spiegel is geplakt. Dat is echt geen kunst.'

   Ik geloof dat ik het met hem eens ben. Of het is wel kunst, maar niet zulke bijzondere kunst. Of het de afbeelding van een jongens- of een apengezicht is, laat ik in het midden. Dat kan ik vanaf hier niet zien. En ik heb geen zin om nu met gevaar van verlies van mijn zitplaats op te staan om het kunstwerk van dichtbij te bekijken of monsteren.

   Daarom kom ik met het voorspelbare voorbeeld Salvador Dali aankakken. Die was én een vaardig schilder, een kundig ambachtsman én wist met zijn paranoïde-kritische benadering beelden tevoorschijn te wekken, die nooit dé realiteit konden weergeven, maar wel degelijk een veronderstelde werkelijkheid wisten op te roepen. Ik vertel de regular dat museum Boijmans van Beuningen over een zaal vol werken van de Catalaanse surrealist beschikt. Beweer niet dat ik niets doe om het volk met de schone kunsten in aanraking te brengen.

   Tot zo ver mijn culturele ondersteuning. Ik wend mij tot Jarislavnaya Politovskaya. Nu heb ik wel weer een bier verdiend. Ik merk dat ik niet van mijn à propos ben geraakt van het gesprek. De vooraf tot me genomen wodka heeft ervoor gezorgd dat ik me direct op mijn gemak voel, zo in de drukte.

   Het tweede biertje smaakt, nou ja, niet kut. Een vagijn smaakt nu eenmaal anders, herinner ik mij uit de tijd dat ik de edele kunst van de cunnilingus nog weleens beoefende. Het smaakt ook niet like piss, zoals een uitdrukking uit het Angelsaksisch taalgebruik de onoplettende of onwetende lezer of toehoorder weleens wil doen geloven. Ik heb behoorlijk wat matig smakend bier geproefd, maar nog nooit een pils die letterlijk als urine proefde. Dit glas bier smaakt me gewoon slecht. Het smaakt naar bier dat door een zwak schoongemaakte tapleiding is komen zetten. Ofwel is het glas niet goed gereinigd. Gelukkig heb ik al gezien dat er ook flesjes Hertog Jan worden geserveerd. Ik besluit dan ook dat dit mijn laatste tapje is. Al drinkende gaat het bier me niet slechter, noch beter smaken. Wel valt mijn oog op het spoelmechaniek onder de tap dat ik nergens eerder in een kroeg zag. Ik zie een embleem met de letters Spulboy erbovenop. Tegelijkertijd meen ik te zien dat het water in de spoelbak nauwelijks wordt ververst. De Spulboy bevat een mechaniek met dunne horizontale draadjes, die razendsnel heen en weer gaan en zo het water tegen de binnenzijde van het glas doen vloeien. Ik besluit nu al dat de Spulboy het mooiste kunstwerk van de avond is. Ik ben gek op functionaliteit. Al was die functionaliteit aan mijn tweede biertje niet af te proeven. Toch besluit ik het erop te wagen en bestel een derde tapje.

   Aangezien de vaste klant inmiddels weer met zijn vrienden in gesprek is, sta ik op van mijn kruk en loop op Gilbert af. Hij heeft me tenslotte uitgenodigd. Ik vraag hem de hoeveelste keer het is dat hij in deze kroeg komt. De tweede, meldt hij me. Typerend. Eén keer heeft hij gevraagd of het goed was dat hij tijdens het Charloisse Kunstweekend een expositie in het café organiseerde, waarbij het de bedoeling zou zijn dat kunstenaars zich onder de vaste klanten zouden mengen; de tweede avond is het al zo ver.

   Op Facebook heb ik tevoren gezien dat hij ook eens per maand het zogenoemde 'Eerste maandag van de maand tafelgesprek' organiseert in café Tropical aan de 's Gravendijkwal. Niet echt een voor de hand liggende locatie. Voor gespreksavonden hebben we als Rotterdammers immers De Unie, Worm, Arminius en de Centrale Bibliotheek al.

   Hoewel het diverse malen bij me is opgekomen, heb ik nog nooit een gespreksavond in Tropical bezocht. En daarvoor heb ik mijn redenen.

   Er wordt op de aardbol al meer dan voldoende gesprekt en geouwehoerd.

   Als ik al zin heb om geouwehoer over Rotterdam te volgen doe ik dat via de live-feed op internet vanuit Arminius. Meer niet.

   Gespreksavonden in horecagelegenheden jagen me onnodig op kosten, die ik me misschien heel soms wel kan, maar niet wil permitteren.

   Café Tropical bevindt zich in de ruimte waar vroeger het illustere 24-uursetablissement De 3 Musketiers was gehuisvest. Je kon er hasj en wiet kopen bij een huisdealer, die met zijn handel in een leren schooltas achterin de zaak, aan de hoek van de bar zat. Ik kwam er vaak toen ik nog in Schiedam in het magazijn van pakketbezorger UPS continu in de nachtdienst werkte. Op zaterdag werd ik meestal tegen zes uur 's avonds wakker, bereidde een maaltijd, at en voor ik het wist, waagde ik me tot diep in de nacht aan het combinatieklassement. Ik blowde en dronk bier. De laatste keer dat ik er ben geweest vulde ik de combinatie van blowen en drinken aan met een xtc-pil, die na inname een soort speedbom bleek te zijn. Paranoia, hoog oplopende ruzie met de huisdealer, de gang langs een rits andere kroegen, bedreiging met een mes door een junk en uiteindelijk pas zondagnacht om drie uur in mijn mandje belanden, waren het gevolg. Sindsdien mijd ik het uitgaanscircuit in die buurt. Het is me iets te ver westwaarts de Nieuwe Binnenweg op. De buurt herinnert me aan een periode in mijn leven die ik als afgesloten beschouw. Will'ns & Wetens is me tegenwoordig westelijk voldoende.

   Daarnaast herbergen horecagelegenheden sowieso nogal eens mensen en als ik me onder mensen bevind, meen ik daar ongeveer altijd meerdere alcoholische versnaperingen bij nodig te hebben, waarna het niet zelden het geval is dat ik me nadien niet verzadigd voel, van mening ben dat er nog best bezoek aan een volgende horecagelegenheid op kan volgen, ik dat idee daadwerkelijk vorm geef, de ochtend erna wakker word met een als 'kater' omschreven gemoedstoestand die ik zonde van mijn tijd vind, waarop ik mij vervolgens naar een slijter rep om de kater in kwestie naar de achtergrond te zuipen en voor ik het weet zo weer een week aan de gang ben. En dan moet het vermoeiende proces van het weer afkicken nog volgen.

   Gilbert beheerst de kunst van het zich enigszins inhouden kennelijk wel. Al heb ik hem in De Schouw vaak genoeg van het tegendeel blijk zien doen geven. Of misschien heeft hij 's ochtends eerst ook een aantal oorlammen nodig om zichzelf weer tot onderdeel van de mensheid te mogen rekenen. Of misschien overheersen zijn ego en drang zich te manifesteren de weerzin, die in mijn geval ongeveer altijd de overhand heeft als ik me nuchter onder het gepeupel begeef. En met gepeupel bedoel ik niet per se een bevolkingsgroep van een lagere rangorde, maar gewoon een groep mensen. Two is company, three is a crowd. De enige waardige gespreksvorm is de dialoog, heb ik daaruit gedestilleerd. De rest verzandt in geleuter, met altijd minstens één storende factor.

   Voorlopig heeft Gilbert het – of zichzelf? – belangrijk genoeg geacht drie dagen deelprogrammering tijdens THIS COULD BE ROTTERDAM OR ANYWHERE te verzorgen. Hij vertelt dat hij vooraf weer eens dermate uitgesproken zijn mening verkondigde dat hij niet meer kon weigeren een deel van het curatorschap voor zijn rekening te nemen. Aangezien ik zijn uitgesproken mening al uit De Schouw ken, geloof ik hem op zijn woord.

   Morgen is er een expositie in de Oude Kerk. Hij legt me uit dat hij op zoek was naar een zo min mogelijk sacrale, afgesloten ruimte. Hij dacht aan een politie- of gevangeniscel en stak eerst zijn licht op bij de politie. Uit het voormalig politiebureau aan de Charloisse Kerksingel bleken alle cellen weg gesloopt te zijn. Bovendien had de kit zelf op 31 mei sowieso geen tijd en mogelijkheid mensen ter beschikking te stellen, omdat in het Feyenoord-stadion de oefeninterland Nederland tegen Ghana op het programma stond. Gilbert liet na met zijn vuist op tafel te slaan en te eisen dat die wedstrijd dan maar moest worden verplaatst. En hij belde niet met de KNVB. Ook aan zijn geldingsdrang zaten grenzen.

   Wél ging hij op zoek naar een alternatief en kwam terecht bij de bovenste ruimte in de klokkentoren van de Oude Kerk. De krappe ruimte bootst het karakter van een cel goed na. Hij doet uit de doeken dat misdadigers er in vroeger tijden werden opgesloten. Die moesten dan als boetedoening de klokken luiden. 'In de muren zie je ook allemaal namen gekerfd staan,' schetst hij de overeenkomst van karakter met een gevangeniscel.

   Voordat hij aan de toelichting op het programma van dag drie, de zondag, begint, biedt hij me gelukkig een bier aan. Dit voorkomt tandhakken mijnerzijds. De Spulboy is inderdaad een uiterst functioneel apparaat gebleken. Uit de kunst. De derde pils smaakte ineens uitstekend en ging erin als een penis in een weduwe die een jaar of acht droog heeft gestaan, zonder tijdens die periode welk trillend hulpmiddel uit postordercatalogus of erotiekwinkel dan ook inwendig te hebben gehad.

   Zondag duurt het programma slechts een uur. Dan heeft vanaf 11 uur de dienst plaats in de Clemens Kerk aan de Dorpsweg (volledige naam: – als ik dan toch in de geest van Jarislavnaya Politovskaya verder wil etteren – 'R.K Parochie H.H. Michaëls en Clemens'). Tijdens de dienst zullen de kunstenaars in de zitbanken hun werken doorgeven aan de reguliere kerkbezoekers. Een ontmoeting van het wereldlijke met het geestelijke, het profane met het religieuze.

 

De kruk waarop ik zat, blijkt na het gesprek met Gilbert nog niet bezet te zijn, hetgeen me vanwege de drukte bevreemdt. Snel neem ik weer plaats en bestel nog een pils bij Jarislavnaya Politovskaya. De rest van de avond breng ik vooral waarnemend door. De portier met de kinderlijke oogopslag haalt kinderachtige grapjes uit met andere vaste klanten en doet af en toe de kroegdeur open. Naast me ontstaat er wat onmin tussen een vaste klant en een kunstenaar. Ik hoop dat de woordenwisseling werkelijk in een gevecht ontaardt. Zo immuun voor mijn omgeving heb ik me inmiddels wel gedronken. De enige woorden die ik wissel zijn die met Jarislavnaya Politovskaya op de momenten dat ik een volgende pils bestel. De Spulboy blijft de rest van de avond zijn werk naar behoren doen. Slechts het tweede biertje was onsmakelijk.

   Tegen het eind van de avond vraagt Jarislavnaya Politovskaya of ik ook nog naar de afterparty ga. Ik weet van geen afterparty af. Een moment overweeg ik haar te vragen over hoe, waar, welk tijdstip en waarom, maar ik besluit al snel dat het me sowieso te laat wordt en me morgen voor een onoverkomelijk probleem zal stellen. Ik heb met Gilbert afgesproken ook dan weer te zullen komen opdagen. Bovendien: vanwege de kosten zal ik niet met een taxi naar huis gaan en vanwege de afstand al helemaal niet lopend door de Maastunnel.

   Ik vraag Jarislavnaya Politovskaya hoe laat het nú is. Ik kan nog één snelle laatste bier nemen. Dan moet ik met tramlijn 2 half Rotterdam-Zuid door, op station Lombardijen de trein pakken, op Blaak uitstappen en lopend naar huis. Alles voor de kunst. Of nog heel even naar De Schouw.

   Ik reken af en wandel naar de halte van lijn 2 aan de Boergoense Vliet.

 

In De Schouw loopt het tegen sluitingstijd. Zoals altijd bestel ik er een groene ijsthee. Natuurlijk weet ik dat er nog wodka in mijn flesje Esbjerg zit. Ik ga aan de hoge ronde tafel nabij de bar zitten. Ik doe geen moeite de wodka uit het zicht te houden, maar schenk die pontificaal in het zicht van de eigenares in mijn glas. Ze stapt kwaad op me af en probeert het glas van me af te pakken. Ik mag dan onder invloed zijn, maar dit had ik natuurlijk zien aankomen. Ik draai me grijnzend van haar af en sla de inhoud achterover. Vervolgens toon ik haar mijn middelvinger. Mijn middelvinger naar de vrouw die het tegenwoordig verdomt me nog alcohol te schenken. Bij wie ik een jaar tevoren aan het eind van mijn klassieke talen huilend aan de bar zat en met wie ik afsprak dat ze me naar een kliniek zou brengen om van mijn alcoholverslaving af te komen. Zonder nog maar een poging te wagen om wat dan ook goed te maken, sta ik op van mijn kruk en loop De Schouw uit. Ik moet eens op huis aan, mijn nest in. Het programma in de Oude Kerk begint morgen om 11 uur, dus het is vroeg reveil.

 

Als ik de volgende ochtend wakker word, voel ik me als menselijke resten. Ik vervloek mezelf. Zowel vanwege het feit dat ik deze kater snel moet wegwerken, als vanwege mijn gedrag tegenover de eigenares, dat ik achteraf niet begrijp. Nota bene de vrouw die ik regelmatig 'Licht van mijn leven' heb genoemd. Ik ben kennelijk een daler, zoals het knap en origineel beschreven is door Carolina Trujillo in haar boek De Zangbreker. Een daler, een persoon die altijd alles weer kapot maakt bij degenen die hij liefheeft. Of alles sloopt wat hij eerst heeft opgebouwd.

   Ik ben inderdaad een daler. Ik verdom het voorlopig echter tot in mijn graf af te dalen. Ik houd er namelijk ook erg van mezelf weer op te richten. Dalen en oprichten. Het Nederlandse landschap is al vlak genoeg. Mijn leven hoeft zich niet ook nog eens volkomen egaal te voltrekken.

   Volgens mij is Gilbert ook een daler die ervan houdt zichzelf weer op te richten. Ik vernam eens dat hem in De Schouw op het eind van de avond de wacht was aangezegd. Mooi geweest, laatste geweest, ga nu maar elders spelen. Aan zijn reactie op het sociaal medium kon ik de volgende dag het gat in zijn geheugen aflezen. Op Facebook zag ik echter óók wat hij allemaal organiseert in zijn woning Le Sud in de Ebbenhaezerstraat. En aan de overkant van de straat bestiert hij met zijn vriendin de koffiebar Koffie & Ambacht. Dat zou hij niet kunnen doen als hij slechts daler was. Daarvoor moet je ook een oprichter zijn.

   Lang tijd om te treuren over mijn wangedrag van de avond tevoren gun ik mezelf niet. Ik moet weer naar Charlois. Maar eerst langs de slijter van de Coop om Esbjerg in te slaan. Ik trek dezelfde kleren aan als die ik gisteren droeg. Schijt aan decorum.

 

Het flesje Esbjerg is dit maal een fles Esbjerg geworden. De 20cl-exemplaren waren uitverkocht, dus ik was gedwongen een halve liter te kopen. En aangezien een halve liter sowieso een te hoge dosis bevat, kun je – als je dan toch genoopt bent een te grote hoeveelheid in te slaan – prijstechnisch het best voor de hele liter gaan. Zeker als je van een gefortuneerde fan zomaar een leren jas hebt gekregen, met diepe zakken, die daar uitermate geschikt voor zijn. Zonde om die niet voor dat doeleind te gebruiken.

   Weer buiten ga ik op de hoek van de Breitnerstraat op het muurtje van de tandartspraktijk zitten. Het is nogal een zichtlocatie, maar daarover maak ik me nu niet druk. Ik heb een kater weg te werken. Met mijn linkerarm voor mijn buik langs draai ik de dop van de fles, die nog in mijn jaszak zit. Ik kijk om me heen. Niemand in de buurt. Als er toevallig iemand zit te spieden vanachter het raam van een van de woningen tegenover me dan is dat pech hebben. Voor de bewoner in kwestie. Hoewel, pech? In feite kan de bewoner zien dat zijn buurt in de lift zit. Er zit daar niet zomaar een of andere vagebond of zwerver op een muurtje uit een fles wodka te drinken. Het is de sterauteur van Stadslog die daar wodka uit de fles drinkt. 'Katsjing!' noemt men dat. Makkelijk binnenlopen vanwege stijgende huizenprijzen, slechts omdat de sterauteur van Stadslog zich verwaardigt zijn keiltje bij u voor de deur achter zijn huig te komen parkeren. Scheelt zomaar twee volle punten op de gemeentelijke veiligheidsindex, in opwaartse zin.

   Ik zet de fles aan mijn mond en neem een paar fikse teugen. Tsja. Smakelijk is anders. Het brandt wat in mijn slokdarm en maag, maar is niet iets om van te schrikken. Bovendien: alles voor de kunst. Nogmaals kantel ik de fles achterover, klok een zo groot mogelijke hoeveelheid naar binnen, draai de dop terug op de fles en laat die in mijn jaszak glijden. Drie minuten duurt het ongeveer voordat alcohol in het bloed wordt opgenomen, heb ik op een medische website gelezen. En inderdaad, het is een middel waarvan je op aan kan. Al snel voel ik de vrede zich in mijn brein nestelen. Ik sta op en loop door de Breitnerstraat naar de bushalte. Nu geen zin om bekenden op de Nieuwe Binnenweg te moeten groeten. En al helemaal niet in een gesprek. Ik ben hoogstens benieuwd of Gilbert vandaag dezelfde kunstgreep als ik nodig heeft om iets van zijn curatorschap in de praktijk te kunnen brengen.

 

Bovenin de Oude Kerk kan ik me er wederom nauwelijks toe zetten de kunst goed in me op te nemen. Te veel kunst van te veel bekende namen van te veel mensen te dicht om me heen. Familiarity breeds contempt. Wel kunnen de in de muur gekerfde namen mijn waardering wegdragen. Dan ga ik aan het touw van de kerkklok hangen. Als je toch eens in de gelegenheid bent je een klokkenluider in de geest van Edward Snowden of Julian Assange te wanen, moet je die te baat nemen. Misschien dat het me was gelukt als ik nog op mijn oude gewicht van 105 kg was geweest, nu niet. Oud-Charlois blijft in totale stilte gehuld. Ik voel me niet bepaald heroïsch als Snowden of Assange. Ik loop voor de vorm nog wat rond, maar ben het al snel beu en daal de wenteltrap weer af. Ik ga in De Spiegel kijken of Jarislavnaya Politovskaya achter de bar staat.

   Ze is er niet. Toch bestel ik een bier. Ik wil de Spulboy nog eens in actie zien. Dat voorkomt dat ik me bultenaar Quasimodo, de klokkenluider van de Notre Dame, ga voelen, afgewezen door zijn grote liefde Esmeralda.

 

Een belangrijk kenmerk van katers is dat ze niet minder hevig worden als je dagen achtereen te veel drinkt. Zonder opzij te kijken tast ik naar waar ik vermoed dat de fles wodka staat. Ik grijp in het alcoholledige. Nu moet ik dus opstaan, besef ik. Het zou overdreven stereotiep zijn te stellen dat ik wankelend mijn condo doorga, met stevige tred is weer het andere uiterste. Het ergste: ik zie de wodka niet.

   Ook in de keuken is mijn fles Esbjerg nergens te bekennen. Dan herinner ik me dat ik mijn naam in de muur van de klokkentoren heb staan kerven. De fles zette ik naast me op de vloer. Hij moet daarboven zijn achtergebleven.

   Het is kwart over tien; om elf uur begint de dienst en de slijter van de Coop opent pas om twaalf uur. Als ik me in deze toestand aan de onderneming ga wagen, kan ik net zo goed nu al de traumahelikopter laten komen voorvliegen. Dat ga ik dus echt niet redden.

   Ik kijk in de spiegel. Bloeddoorlopen ogen, met eronder blauwe wallen alsof me een gebroken neus is geslagen. De spiegel der slechtheid. Hier is iedere vorm van salicheyt uit het zicht geraakt.

Rubriek Hoekig

Stefan van Hoek

Hij werd geboren en groeide op in de hoofdstad van de provincie Zeeland. Na het afronden van zijn atheneum-opleiding verhuisde hij naar Rotterdam om verder te schaven aan zijn mens...

Bekijk profiel