HET LICHT VAN MIJN LEVEN

16-1-2014 18:58

Door Stefan van Hoek

 

Zie je nu hoe handig ik in één beweging de poten in de hengseltjes vastdruk? En dan ook nog in één moeite het tafeltje van liggend op het blad andersom draai, zodat ik het in één keer op zijn poten op het terras kan plaatsen. Dat is omdat ik thuis volop gedisciplineerd met gewichten train.” Ik doe mijn bovenarmen in de Londonknights-stand en zet een brede borst op. Niet dollen met mij, nieuwe eigenares van café Het Licht van mijn Leven.

    De Londonknights-stand doe ik wel decent in T-shirt gehuld. De nieuwe eigenares van de kroeg heeft me gewaarschuwd dat ze me zelfs in het geval van bezit van een abdominaal sixpack de zaak uit trapt in geval van ontbloting. Kortom: dat zou knokken worden. En ik vecht nu eenmaal niet met vrouwen. Ik vecht slechts in het geval ik daar veel te lazarus voor ben. En dan nog alleen met mannen. Al kan ik me heel goed voorstellen dat ik in de toestand van lazarusheid absoluut het verschil niet meer zie.

    “En de plankjes van alle tafeltjes haaks op de looprichting van de stoep, zie je dat?” ga ik nog even verder. “Straks zet ik op de ene rij tafels respectievelijk een zwarte, een witte en weer een zwarte asbak. En op de rij tafels langs de doorgangscorridor een witte, een zwarte en weer een witte. Moet je kijken wat een uitgebalanceerd ensemble er dan ontstaat. Zo'n terrasvolgorde samenstellen, dat is slechts de hele groten gegeven. Men zegt wel dat het geluk slechts de voorbereiden van geest treft. Daar lijkt me dit een uitgelezen voorbeeld van.”

    “Het stinkt hier naar eigenwaan,” zegt de uitbaatster en trekt haar blik van verveling, zoals slechts zij een blik van verveling kan trekken. Als je die gezichtsuitdrukking maar vaak genoeg hebt gezien, ga je er vanzelf van houden. Of van houden? Je gaat er een satanisch genoegen in scheppen zo vaak mogelijk te proberen de blik op haar gezicht tevoorschijn te krijgen.

    “Eigenwaan?” antwoord ik. “Je ruikt de lavendelgeur van mijn zelfkennis.”

    “Hoe kan jij nou naar lavendel ruiken, smerige werkloze? Je eet hele dagen óf kapucijners met te veel ui óf koude witte bonen in tomatensaus.”

    “Of door jou gehaalde en door mij gefinancierde foe yong hai, waar ik drie dagen erop nog bruin water van schijt. Maar dan dunner dan water.” Op dat moment valt een van de asbakken onder mijn oksel door op de grond.

    “Mijn God, heb ik dat weer. Zo'n gozer met een melkertbaan.”

    “Je hebt de mafkezen niet voor het uitzoeken. Die komen zich ook maar aanbieden.”

    “Je hoeveelste kapitale blunder is dat? De drieëndertighonderdste, nádat je ze niet meer kon tellen?”

    “Voor mensen als jij heb je zo'n standaard uitdrukking: jij mag alles over me beweren, poppedijn. Net als de schillenboer.”

 

Soms wil de uitbaatster me een groene ijsthee met limoen aanbieden, in ruil voor het klaarzetten van het terras. Altijd weiger ik haar geste. Ik loop in de soos, dus zou ik de ijsthee moeten opgeven als gift. Wordt die weer gekort op mijn uitkering. Twee euro vijftig per ijsthee. Is dat bruto of netto? Ik kom er niet uit. Bovendien: hoeveel moet ik voor het partje limoen rekenen? Ik heb haar dus aangeboden dat ik – ik drink overigens bijna altijd water – zowel de ijsthee als de limoen steel. Ze kan dat vast wel op een of andere onkostenrekening wegschrijven. En zo lang ze geen aangifte van diefstal doet, blijft de pliesie buiten beeld.

    Als werkloze verzet ik nog vrij veel nuttige, weliswaar onbetaalde, arbeid. Ik zet mij redelijk vaak in voor de maatschappij. Met het netjes klaarzetten van het terras zorg ik ervoor dat de uitbaatster daar niet een werkelijke melketier voor hoeft aan te stellen en zo houdt ze dus wat langer pecunia over om haar nieuwe nering draaiende te houden. Daarnaast ga ik zo nu en dan bij mijn vriend Henk langs, die met MS blind en invalide in verzorgingshuis Akropolis aan de rand van de stad zit weg te kwijnen. Noem het mantelzorg. Mochten Frank Taal en zijn compaan Leo de Bie elders voor kunstzaken vertoeven dan neem ik – mits fit – de honneurs in hun galerie waar. En dan schrijf ik nog pro deo het ene verhaal na het andere voor Stadslog, waar het merendeel van de medewerkers te druk is met het herhalen van hun meningen op het grootste zeikmedium van de wereldgeschiedenis: Twitter.

    O, help: ik heb niet zoiets als een echte, heuse baan. Laat ik nu van mening zijn dat wethouders op het stadhuis ook niet echt een heuse baan hebben. Die mogen echter jaarlijks het negenvoudige binnentikken van mijn fooi. Ik heb zwakkere pleidooien voor enige vorm van socialsme gelezen. Ach, zoals ik ooit al eens tikte: 'stemrecht, ik zou er nog niet dood mee willen worden gevonden.'

 

Maar laat ik u verder niet vervelen met de wassen neus genaamd “democratie”. Ik moet nu even naar binnen in Het Licht van mijn Leven. Er heeft weer een of andere onverlaat lopen kutkloten met een tafeltje, dus is er een plankje losgeraakt. En daar kom ik dus om de hoek kijken. Eerst repareerden ze die tafeltjes met schroefjes. Arbeidsintensief, contraproductief en praktisch bijna ondoenlijk. Je zou denken dat er het idee van een Rotterdamse wethouder achter schuilde. Dus heb ik voorgesteld de plankjes met zoiets buitenissigs, vooruitstrevends en eigenlijk afkomstig uit een science fiction-film uit de 31ste eeuw: spijkers vast te slaan.

    Voordat ik binnenkom, moet ik langs de uitbaatster, die in de deuropening staat te roken.

    'Ga eens opzij, ijshockeykeepster.,' zeg ik tegen haar. Dat nu, was mezelf één keer te veel vrijheid gepermitteerd in mijn doorgaans vriendelijk bedoelde dolletjes.

    Met haar volle gewicht achter haar elleboog zet ze zich tegen mijn ribben klem tegen de schuifdeurpost. Ze is vroeger mannequin geweest. Later is ze redelijk uitgedijd. Het is niet dat het haar heel erg frustreert; ze wordt slechts in- en ingemeen als iemand anders haar ermee confronteert. Na het precisiebombardement met haar elleboog sta ik dan ook een poos naar iets anders dan ijsthee te snakken. O2, noemt men het ook wel. Wankelend weet ik de bank te bereiken, waaronder de gereedschapskist staat. Maar met die gereedschapskist ga ik de komende drie uren even niet aan de gang. Ik wil LUCHT. Naar adem snakkend ga ik liggen. Dit was nu een bedrijfsongeval dat ik me als uitkeringstrekker niet kan permitteren.

 

Was man liebt, neckt sich,” probeer ik mijn impertinentie te vergoeilijken, direct maar in de taal van de grote filosofen, als ze poolshoogte bij me komt nemen en ik iets ben bijgekomen.

    “Je mag blij zijn dat ik je nek niet heb gebroken,” is ze nu duidelijk over de zeik.

    Wat ze me normaal altijd weigert, doet ze nu wel: ze schenkt me alcohol. En niet van dat benauwde: gin met een percentage van 37,5, aangelengd met wat tonic. En niet één glas, maar direct zes. Smakelijk, als je er voor in de stemming bent. Nu is het vooral de roes die me goed doet.

    “Zo. Ik rijd je nu even met de auto naar het Dijkzigt. Zeg je daar maar dat je te veel hebt gezopen en keil op je muil bent gegaan.” Ze weet nog net de vriendelijkheid op te brengen me rechtop te helpen.

    De tegenwerping dat het Dijkzigt tegenwoordig Erasmus MC heet, laat ik veiligheidshalve achterwege.

 

 

Afbeelding/ijshockey.jouwweb.nl

Rubriek Hoekig

Stefan van Hoek

Hij werd geboren en groeide op in de hoofdstad van de provincie Zeeland. Na het afronden van zijn atheneum-opleiding verhuisde hij naar Rotterdam om verder te schaven aan zijn mens...

Bekijk profiel