NAMAAKSUPPORTER

4-1-2014 15:34

Door Stefan van Hoek

“Programma's! Programma's!” De mannen staan er weer. Bij het langslopen heb ik al in hun zwarte sporttassen gegluurd. Ik schat dat ze nog half gevuld zijn. Over een half uur begint de wedstrijd.

   Al jaren mis ik geen thuiswedstrijd van Feyenoord. Ik sta dan tien minuten naast de mannen die programmaboekjes verkopen. En zoals altijd ga ik ietsjes verderop staan. Wel daar waar ik me precies in hun verlengde bevind.

   “Het verzameld werk van Lev Tolstoi. Het verzameld werk van Lev Tolstoi,” roep ik een aantal malen en daarna: “De wetenschap is zinloos. De wetenschap geeft ons namelijk geen antwoord op de enige vraag die voor ons van belang is: waartoe zijn wij hier op Aarde? De wetenschap is zinloos. De wetenschap geeft ons namelijk geen antwoord op de enige vraag die voor ons van belang is: waartoe zijn wij hier op Aarde?”

 

In het begin keken de mannen volkomen bevreemd naar me. Wat was dit voor knetterwous? Kon die niet lekker optiefen naar de planeet waar ie vandaan kwam? Inmiddels zijn ze aan me gewend. Af en toe trakteer ik ze op een stroopwafel of Sultana. Dan informeren we bij elkaar of de verkoop een beetje naar wens verloopt. Altijd hebben ze meer verkocht dan ik. Ik heb nog nooit wat verkocht. Dat informeren van hen is dan ook slechts een vorm van beleefdheid. Ze hebben meer plezier van zijn koek dan last van die mafkees. Ik heb nog nooit het verzameld werk van Lev Tolstoj bij me gehad. Nog niet eens De dood van Ivan Iljitsj, een novelle van bescheiden omvang. Wel stroopwafels en Sultana's.

 

Je ken weer gaan, vriend. Over tien minuten begint de wedstrijd,” zegt een van de twee verkopers, volgens wat inmiddels is uitgegroeid tot ritueel. Van twintig minuten voor, tot tien minuten voor de wedstrijd mag ik hun 'Programma's!' af en toe onderbreken met mijn geblèr over Tolstoi. Daar zijn ze vrij stipt in. Al is dat eigenlijk overbodig, omdat ik zelf ook een man van de klok ben.

   “Geachte buurman en geachte buurman. Het was me weer een waar genoegen,” luidt mijn nog net niet in steen gebeitelde antwoord. Ik geef beiden een hand.  "Succes vanmiddag.”

   “Jij ook, vriend.”

   Ik ben 'vriend'. Zij zijn 'geachte buurman' en 'geachte buurman'. Het zijn van die handvatten in mijn leven die ervoor zorgen dat ik weer twee weken vooruit kan.

 

Het moet bijna dertig jaar geleden zijn dat ik nog eens ín het stadion was. In de tijd dat er nog staanplaatsen waren. De laatste keer stond ik overigens niet; ik zat. Op vak T. Ik herinner me nog dat ik me zo verbaasde over de supporters. Ze schreeuwden de spelers toe alsof het hun naaste familie was. Deden ze iets verkeerd dan waren het hun vervelende kleine broertjes, scoorden ze en wonnen ze, dan waren het hun oudere broers tegen wie ze altijd opkeken, maar van wie ze ook altijd het gevoel hadden dat ze zonder hun steun de winst niet hadden binnengehaald.

   Mijn verbazing was oprechte verbazing. Ontdaan van alle minzaamheid of vermaak. Het was wel storend dat ik door al dat rumoer nauwelijks kon lezen in De dood van Ivan Iljitsj, Tolstois novelle. Die had ik destijds wél meegenomen. Niet om te verkopen, maar om te lezen. Daarnaast schrok ik nogal vaak op van passanten die voor me langs naar snackloket of toilet wilden óf daar net van terug kwamen. Tijdens de wedstrijd van twee weken tevoren hadden mijn ingetrokken knieën en de zich langs me wringende benen een hoop ezelsoren aan de pagina's van De dood van Ivan Iljitsj veroorzaakt. Bij mijn laatste bezoek aan het stadion gulpte iemand zo een klodder mayonaise van tussen zijn broodje frikandel op de twee opengeslagen pagina's. Het was de klodder die de emmer deed overlopen geweest.

 

Tegenwoordig loop ik om de twee weken van mijn condo in de Witte de Withbuurt, over de Erasmusbrug naar het stadion. Op de terugweg neem ik de route via Oranjeboomstraat, Willemsbrug en Boompjes. Mijn vast patroon, waarvan 'geachte buurman'en 'geachte buurman' integraal onderdeel zijn. Eenmaal thuis verdiep ik me niet, zoals je misschien zou verwachten, in de oude Russen, maar zoek ik op internet via Sportlemon op welke betaalzender ik illegaal het laatste deel van de tweede helft kan bekijken. Arabische zenders hebben mijn voorkeur. Dan hoor ik wél nog het rumoer in het stadion, maar versta ik nul procent van het sportcommentaar. Is niet alleen mijn eigen keuze, maar ook op doktersadvies. Bij medische tests is gebleken dat sportcommentaar zwaar verhoogde activiteit van mijn gal en alvleesklier opwekt. Met alle gevolgen voor mijn maagzweer van dien.

   Staat Feyenoord achter dan zet ik de wedstrijd direct weer af en ga ik als Oblomov in mijn bed liggen vegeteren, want, zoals een goede vriend van me het eens verwoordde: “Ik vind het best leuk als Feyenoord wint, maar mijn leven is echt al vervelend genoeg om me ook nog slecht te gaan voelen als ze verliezen.”

 

 

Afbeelding/Stefan van Hoek (Nota bene: de foto is bedoeld ter illustratie. Beide werkelijk bestaande heren zijn niet de fictieve personages uit het verhaal. Zij boden wel de vonk, genaamd inspiratie, die aan de basis van het verhaal stond.)

Rubriek Hoekig

Stefan van Hoek

Hij werd geboren en groeide op in de hoofdstad van de provincie Zeeland. Na het afronden van zijn atheneum-opleiding verhuisde hij naar Rotterdam om verder te schaven aan zijn mens...

Bekijk profiel