Overal blubber!

10-2-2014 10:59

Door Michelle van Dijk

Hoe de Hoeksche Waard doordringt in Delfshaven, via strontlucht... 

 

In het hart van de Hoeksche Waard ben ik wel eens smerig onderuitgegaan in de modder. Het gebeurde zo: ik was met mijn kinderen op recreatieoord Binnenmaas. Je vindt daar een speeltuin, een kinderboerderij, een zwembad en een tiental gereformeerde families die, aan het uiterlijk te zien, bij nader inzien misschien één familie zijn. Ze komen met koelboxen en opklapstoeltjes, de jongens gaan voetballen, de meisjes wandelen. Ach ja, mensen kijken, dat is ook een hobby van me.

 

Achter de speeltuin en het pannenkoekenhuis begint het avonturenpad. Dat moesten we doen, vonden mijn kinderen. Natuurlijk, kom maar op. We staken een sloot over met een trekpontje, we hingen als aapjes aan een klimrek, we klommen op de uitkijktoren en renden door het hoge gras.

 

‘Gaan we ook hierdoorheen, mam?’ riep mijn zoon nog, maar ik was hem al kwijt. Je moet weten wanneer je ‘nee’ moet zeggen, dacht ik nog. Door het hoge gras, eigenlijk een soort moeras van Hoeksewaardse blubber, de blubbersoort waar half Nederland z’n aardappelen uit haalt, lag een weggetje met palen. Je moest over de palen lopen om goed aan de andere kant te komen. In de zomer is het een droog stuk grond en kun je er makkelijk naast vallen, maar nu leek dat, met wat plasjes onwelriekende insectenpoeltjes, een minder goed idee. Dus ik wilde mijn dochter, twee jaar jonger dan haar broer, nog waarschuwen: ‘Doe maar niet!’, maar zij balanceerde al op een paal en smeekte me om hulp. Dus daar ging ik.

 

Het eerste stuk ging goed. Ik gaf haar een hand en we schuifelden over de palen. In het midden bleken de plasjes eigenlijk een soort sloot te zijn en waren de palen nat, glibberig en glad. Ik stond op één plek stabiel en hielp haar naar het punt waar haar broer zijn hand uitstak. Daarna probeerde ik er ook zo te komen, maar ik stapte naast de paal. Mijn voet zakte weg in de diep donkerbruine modder, er was niets om me aan vast te houden, ik ging genadeloos onderuit, op mijn kont in het Hoekschewaardse stinkmoeras.

 

Die geur. Blubber in m’n schoenen, blubber in m’n broek, blubber in jas en tas. Godzijdank had ik een tas met sportkleren in de auto. Mijn schoenen kon ik weggooien. Ongetwijfeld zullen een paar mensen hun gereformeerde wenkbrauwen hebben opgehaald toen ik achter mijn auto een rugbybroekje over mijn billen hees, maar ach. Het is voor hen ook een dagje uit.

 

Nog zeker een week zou de auto naar licht rottende Hollandse aardappelen ruiken. De kinderen waren erg geschrokken, maar ik bleef er heel hard om lachen zodat zij dat ook zouden doen: ‘Dit zullen we in ieder geval nooit vergeten!’ Maar die geur, die zou ik pas echt niet vergeten. Stinkzooi.

 

En nu gebeurde dit: ik ging weer eens een woning bezichtigen in mijn eindeloze zoektocht naar het perfecte huis in Rotterdam. Dit keer was ik ergens in Delfshaven op een mooie plek, lekker groen, geen overburen, een huis met een tuin, genoeg kamers en vierkante meters; kortom, ik had hoge verwachtingen. Ik kwam aan en de makelaar liep al binnen heen en weer met thee en koekjes. Ze zag mij ook en deed snel de deur open. Ze stak haar hand uit, ik liep naar binnen – en rook stront. Ik rook de Hoeksche Waard. Ik voelde gewoon de nattigheid, ik rook de rottende bladeren en insectenpoeltjes, ik rook klei en poep en ik was nog maar één stap binnen.

 

‘Kopje thee?’ vroeg ze. In de woonkamer rook je het ook.

 

‘Koekje erbij? We hebben vandaag meer bezichtigingen, dus we hebben het maar gezellig gemaakt,’ zei ze. In de keuken nota bene, strontlucht, op een dag dat er meer dan vijf bezichtigingen zijn.

 

Ik liep nog braaf met haar mee de slaapkamers rond, maar toen was het mooi geweest. Je moet weten wanneer je ‘nee’ moet zeggen. 

Rubriek Koper zoekt huis

Michelle van Dijk

Michelle van Dijk rolde in de jaren negentig door de gangen van het Marnix Gymnasium, haalde daar een papiertje en begon in Leiden een studie Nederlands. De beste studie die je maa...

Bekijk profiel