Dag Knibbe, hallo Otte

10-2-2017 11:29

Door Eric Ruygers

Enkele overdenkingen bij de nieuwe stadsdichter van Rotterdam

Toen wij na afloop van de verkiezing van de nieuwe stadsdichter (het werd Derek Otte) nog wat dronken in de foyer, moest ik mijn tyvekken polsbandje tonen ten bewijze dat ik bij het gezelschap hoorde. Pas toen zag ik wat er op dat bandje stond. Het was een regel van de als stadsdichter aftredende Hester Knibbe, afkomstig uit haar bundel ''Archaïsch de dieren.'' Hij luidt: Van ons verlangen zijn wij de uitvinders.

Terwijl ik geduldig stond te wachten op het verlangde biertje begon in een denkdraaikolk in mijn hoofd allerlei ongeordends omhoog te komen. Allerlei fragmentarische herinneringen, drijfhout van vergane gedachten over oude interesses waarover ik had gelezen, bijvoorbeeld over het bestaan van de vrije wil en, niet te vergeten, professor Dick Swaab, die het invloedrijke boek ''Wij zijn ons brein'' schreef, waartegen vooral werd geprotesteerd vanuit religieuze zijde, waar men de mens niet graag gereduceerd ziet tot een 'zielloos' organisme. Was de keus iets te drinken (een biertje, nadat ik mijn aanvankelijke keus voor witte wijn  had overruled) er één van mijn brein of van mijzelf?

Bier of wijn, één pot nat, zegt Swaab, want ik ben mijn brein. Daar drinken we op! dacht ik bij mezelf. Of iets in die geest, huizend in mijn machine. Of nee, ik bèn die machine...nou ja, wat maakt het uit?

Maar toch... wat bedoelde Knibbe nu met deze oneliner?

Bedoelde ze, in navolging van Swaab, dat onze verlangens de producten van ons brein zijn? Dat, wanneer zij ons overvallen, wij màken dat ze ons overvallen? Dat, wanneer men zich van zijn verlangen een marionet voelt, men vergeet dat men zelf de touwtjes in handen heeft? Of bedoelde ze dat wij gedurende ons leven vanzelf uitvinden waar onze verlangens liggen?

Of dat wij vanuit onze verlangens uitvindingen doen? Of moesten alle interpretaties mogelijk zijn? Want daar houdt poëzie nogal van, van multi-interpretabiliteit.

Waarom juist dèze regel uit haar werk ons op de pols werd gespeld? Misschien was dat tijdens het begin van het gebeuren duidelijk gemaakt, dat weet ik niet – ik arriveerde een kwartier te laat. Ik had Hester Knibbe’s telefoonnummer al opgezocht toen ik besefte dat je zoiets niet doet: een dichter bellen met de vraag wat bedoelde u met...Want dat moet je zelf maar weten. Poëzie, kunst in het algemeen, wordt genoten door haar op jezelf te betrekken. Je moet mensen niet onnodig lastig vallen.

Enfin.

De tot de oudere, klassiekere generatie behorende, zeer algemeen beschaafd Nederlands sprekende Hester Knibbe is dus opgevolgd door de jonge, uit de rap-scène en spoken word voortgekomen, Rotterdams gebekte, meer toegankelijke Derek Otte.

Op Otte’s verzoek moest de zaal na zijn 'Kom je uit Rotterdam?' scanderen: 'Ken je dat niet horen dan?' Ik heb er niet aan meegedaan. Doe ook nooit mee aan 'mouwen opstropen,' en 'hard werken,' dat is me allemaal te veel Rotterdam-gemeenplaats.

Intussen werk ik natuurlijk wel, maar werktuiglijker, verwerkelijking gaat niet over lijken, lijken kan later onwaar blijken – niet te ontwijken de dood dus niet zeiken... uuuuh.  Ik laat me nu een beetje gaan in de overdosering van klankresonantie en woordspelerigheid, in een aangedikt, zich voort reppend dictie-ritme, dat bij sommige rap/slam wel eens maakt dat ik moedeloos de schouders laat zakken.  Maar hoe vaak viel ik niet in slaap bij het beluisteren van poëzie uit het pre-rep-slam-tijdperk?

Die makke speelt bij Otte niet, en hij toonde zich in zijn presentatie een sympathieke en geschikte ambassadeur en vertolker van het Rotterdamse hart, hoewel dat niet bestaat (nu heb ik mij in dat hart onmogelijk gemaakt). 

Afbeelding / www.rotterdam.nl

Rubriek Ruygoord

Eric Ruygers

Eric Ruygers, dichter met een zachte 'g' en een Rotterdamse pa, liet zich op de Maasgolven richting zeegat drijven. Klom op het Noordereiland even aan wal voor een broodje ...

Bekijk profiel