Daan & Jannie Pols, buurtvrijwilligers van de oude (of nieuwe?) stempel

2-7-2015 00:33

Door Hans van Willigenburg

In een nieuwe reeks ‘Stadsiconen’ portretteert Stadslog Rotterdam in circa duizend woorden Rotterdammers die niet zo snel de krant halen, nieuws maken, maar wél een belangrijke bijdrage leveren aan hoe de stad van-dag-tot-dag functioneert. En hopelijk, met dit extra steuntje van Stadslog, andere Rotterdammers inspireren ook een bijdrage te leveren. In deze nieuwe serie concentreren we ons op Rotterdam-Zuid. De vierde ‘Stadsicoon’ van deze nieuwe reeks is het echtpaar Pols, Daan en Jannie. Zonder hen gebeurt er niks, of vrijwel niks, in de wijk Bloemhof-Zuid. Over bemoeizucht als deugd.

 

Daan en Jannie Pols, zeventigers, zijn het intussen wel gewend een interview te geven. Sterker nog, naast het vele werk voor de buurt Bloemhof-Zuid is de media-aandacht zowat uitgegroeid tot een extra ‘taak’, waar ze ruimte voor moeten maken in hun drukke schema. Niet dat ze ooit uitgepraat raken over de wijk. Verre van. Zodra Daan het woord neemt, zit Jannie klaar om de woordenstroom over te nemen, en omgekeerd precies hetzelfde. Op de kop af vijftig jaar wonen ze als getrouwd stel in Bloemhof, op hun huidige adres. ‘Als we ontevreden waren geweest over de wijk waren we al lang verhuisd en nooit zo actief geworden,’ zegt Jannie bij wijze van startschot. Hadden ze in elke andere buurt ook hun handen uit de mouwen gestoken? Of heeft Bloemhof speciale kenmerken dat hen zo enthousiast heeft gemaakt? Jannie:

 

‘Nee hoor. Wat we nu doen zit in ons. Als mens. Hadden we twee wijken verderop gewoond of in een dorp, dan hadden we ons met dezelfde inzet nuttig gemaakt. Alleen zijn er in een dorp allicht minder hangjongeren om je tegenaan te bemoeien.’

 

'Ik werd voor "communist" versleten' 

Met hun vijftig jaar op dezelfde plek zijn Daan en Jannie Pols, helaas misschien, een zeldzaam en welhaast curieus verschijnsel in een wereldstad waar alles in beweging is. Het geeft hen een ongekend brede blik op waar de wijk Bloemhof vandaan komt en hoe het nu, anno 2015, is. Daan:

 

‘Toen we hier in 1965 kwamen wonen, werd de buurt gedomineerd door wat wij de “zwarte kousen kerk” noemden. Vanaf het moment dat ze mij op zondag de auto zagen wassen, werd ik voor “communist”  versleten,  omdat ik hun zondagsrust zogezegd verstoorde. En God de zondag als arbeidsloze dag had geschapen. Ik vond dat natuurlijk niet prettig. Zeker niet omdat ik zes dagen keihard werkte en alleen op zondag tijd kon vrijmaken voor dit soort klusjes. Maar in die tijd hield je rekening met elkaar, ging je bij elkaar zitten en kwam je tot een oplossing. Nu zou je zeggen: je zwichtte. Of: je paste je aan. Maar toen zag je dat niet zo. Je probeerde er samen uit te komen. Dat sprak voor zich. Net zoals het voor zich sprak dat iedereen zijn eigen tuintje en stukje van de straat  perfect schoon hield. Dus voortaan waste ik mijn auto op een plek buiten de wijk. Het voelde niet als een nederlaag.’

 

Met het gevaar dat het woord ongelofelijk oubollig klinkt, herinneren Daan en Jannie zich die begintijd in Bloemhof als een periode van vanzelfsprekende ‘saamhorigheid’. ‘Eén voor allen, allen voor één.’ Hoewel klagen in de verste verte niet in hun systeem zit (‘als je iets dwarszit, doe er wat aan’), constateert het stel dat de mentaliteit, vijftig jaar later, ver is afgedreven van wat toen ‘normaal’ was. De verregaande gemeenschapszin heeft plaats gemaakt voor een verregaand individualisme of, zo je wilt, zelfbewustzijn. Daan:

 

‘Als je nu aan een hangjongere vraagt of hij een ijswikkel of snoeppapiertje wil oprapen dat hij net heeft weggegooid en binnen een straal van twee meter op de grond ligt, krijg je vaak nul op rekest. Als je dan vraagt waarom ze het niet willen oprapen, zeggen ze ongegeneerd: “Daar ben ik te lui voor”.’

 

Geen centjes, geen eten

De buurtactiviteiten die de familie Pols door de jaren heen desondanks aan hun ‘boodschappenlijstje’ hebben toegevoegd, is schier eindeloos. Ze zijn één van de drijvende krachten achter ‘Buurt Bestuurt’, ze organiseren om de zoveel tijd buurtfeesten en –barbecues, ze helpen een lokale winkelier dagelijks bij het afsluiten van zijn buurtsuper (‘zodat de opbrengst veilig is, afkloppen!’), ze zijn vrijwilligers bij de lokale speeltuin en verder eigenlijk permanent aanspreekpunt voor de hele buurt, met buurthuis ‘Irene’ als middelpunt. Als je het zo opsomt, klinkt het zowat als een – hoewel dat woord natuurlijk express verkeerd gekozen is! – ‘fulltime baan’. Jannie:

 

‘Welnee… Het is voor ons geen baan. Als we kunnen bijdragen aan een betere buurt, dan doen we dat gewoon. Niet in de laatste plaats omdat we zelf graag in een prettige buurt wonen. En we na al die jaren van deze buurt zijn gaan houden.’

 

Daan vindt de vergelijking overigens niet geheel onzinnig, verwijzend naar  de mentaliteit die hijzelf met de paplepel ingegoten heeft gekregen:

 

‘Als je niet werkt, krijg je geen centjes en heb je niks te eten. Zo ben ik opgevoed. Dat zit heel diep in mijn systeem. Voor mij is pensionering dan ook  een vreemd ding: alsof je gedwongen wordt permanent vakantie te gaan vieren. Al zou ik het willen: ik denk dat ik het niet eens zou kúnnen.’     

 

'Band' met jongeren 

Daan en Jannie ontkennen dan ook niet dat ze vreselijk veel moeite hebben met de instelling van veel jongeren in de buurt, die toch geld op zak blijken te hebben zonder daar een prestatie voor te leveren.  Daan maakt van zijn hart geen moordkuil en zegt dat het goed zou zijn voor die jongeren als ze een tijdje zonder geld zouden zitten. Het zou ze dwingen iets te gaan doen. Toch laat Daan zijn emoties niet de overhand krijgen en blijft hij de jongeren op een manier aanspreken, zoals hij dat bij iedereen zou doen.  Er is zelfs sprake van een onderlinge ‘band’, al heeft het echtpaar die deels op een nogal bijzondere wijze (in geen enkel handboek beschreven!)  tot stand gebracht. Jannie:

 

‘Wij hebben altijd Mechelaars gehad, politiehonden.  En die met heel veel liefde en regelmaat opgevoed, zodat ze ons altijd gehoorzaamden. Om ze een beetje schrik aan te jagen hebben we Kim en Nora, zo heetten onze honden, na een incident wel eens achter die jongeren aan gestuurd. Maar ook weer tijdig tot de orde geroepen. Nou, die gasten schrokken zich rot! Sindsdien hebben ze niet alleen respect voor ons, maar ook voor de manier waarop we met dieren omgaan.’ 

 

Wie anderhalf uur praat met het echtpaar Pols, komt langzaam tot de conclusie dat dit compromisloze mensen zijn, maar dan wel in de positieve betekenis van het woord ‘compromisloos’. Vijftig jaar na hun aankomst streven ze nog steeds naar het soort saamhorigheid dat ze ooit in de wijk aantroffen; misschien de hoofdreden waarom ze inmiddels dik zijn met burgemeester Aboutaleb, die het de laatste tijd voortdurend over de ‘wij-samenleving’ heeft. Al zijn Daan en Jannie dan óók weer de eersten om te erkennen dat die ‘wij-samenleving’ nog heel ver weg is. Jannie:

 

‘Als we een buurtfeest voor volwassenen organiseren en ik ga de deuren langs, dan wil bijna niemand komen, want zo’n feest hebben ze, zogezegd, al “binnen de eigen groep”. Maar als we een kinderfeest houden in de speeltuin zitten alle kleuren opeens wél broederlijk naast elkaar. En hebben ze samen lol. Snap jij dat nou???’

 

Afbeelding / Stadslog Rotterdam

 

De serie Stadsiconen is een samenwerking tussen Stadslog en #Veilig010

   

Rubriek Stadsiconen

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel