Fokje Wierdsma, wijkpastor

7-4-2015 12:31

Door Hans van Willigenburg

'Onzichtbare mensen' op weg helpen door met luisterend oor het begin van hun biografie te schetsen 

 

In een nieuwe reeks van acht ‘Stadsiconen’ zal Stadslog Rotterdam in circa duizend woorden Rotterdammers portretteren, die niet zo snel de krant halen, nieuws maken, maar wél een belangrijke bijdrage leveren aan hoe de stad van-dag-tot-dag functioneert. En hopelijk, met een extra steuntje van Stadslog, andere Rotterdammers inspireren ook een bijdrage te leveren. In deze nieuwe serie concentreren we ons op Rotterdam-Zuid, in het bijzonder de wijk Bloemhof. De tweede ‘Stadsicoon’ van de nieuwe reeks is Fokje Wierdsma, spin in het web van het wijkpastoraat Bloemhof

 

Bijna twintig jaar is Fokje Wierdsma werkzaam bij het wijkpastoraat in de wijk Bloemhof. Een traditionele functieomschrijving van wat ze doet – zoals je die vaak in deftig opgestelde personeelsadvertenties aantreft – zou bijna zeker aan de lange kant worden. Misschien is de meest bondige, volledige en schaamteloze omschrijving wel: ‘álles’. Ze probeert mensen in de wijk die hun eigen belang niet goed kunnen behartigen in hun ‘kracht’ en ‘eigen waarde’ te ondersteunen. Door te luisteren. Door juridisch advies te geven. Door cursussen te organiseren en te begeleiden. Door vertrouwenspersoon te zijn. Door te bemiddelen. Door bij mensen thuis te komen. Of door te verwijzen. Daarbij probeert ze niet alleen ‘mensen met problemen’ bij te staan, maar ook, of juist, diegenen die zich geheel aan het zicht onttrekken. En dus, in zekere zin, geheel onzichtbaar zijn.

 

‘Ik kan wel zeggen dat het pastoraat op zoek gaat naar de behoeften van de mensen in de wijk Bloemhof. En dat we met hart en ziel de bewoners, als waardevolle individuen, daarbij centraal stellen. Zoals ze, volgens ons, door God gezien worden. Maar eigenlijk ga je dan al voorbij aan iets wat in deze wijk helaas niet vanzelfsprekend is, namelijk: dat mensen mentaal en taalkundig in staat zijn om te benoemen wat ze nodig hebben. De werkelijkheid is dat ik regelmatig mensen spreek, die geen idee hebben waar ze moeten beginnen, wat hun belang überhaupt is en wat zij verlangen. En daarin nauwelijks nog op een eigen identiteit kunnen terugvallen. Ze lijken, hoe pijnlijk en onterecht ook, op de eerste plaats een optelsom te zijn van een hoeveelheid bureaucratische problemen.’  

 

Niet alleen omdat ‘non-entiteit’ zo kil en wetenschappelijk klinkt, verzet Wierdsma zich tegen die term. Ook omdat het de nadruk legt op wat ontbreekt, terwijl de omgekeerde benadering, volgens Wierdsma, juist broodnodig is (‘ieder mens is geschapen om een unieke, waardevolle bijdrage te leveren in het leven’).  

 

‘Juist de kwetsbaren in Bloemhof, maar ook elders denk ik, hikken voortdurend aan tegen wat ze niet kunnen en niet bereikt hebben. Hun eigen situatie ervaren zij als het sluimerende bewijs dat ze tekort schieten. Ik zie het als mijn taak om met hen helemaal vanaf nul opnieuw te starten. Het gesprek aan te gaan. Me te verdiepen in hun leven, hun jeugd, hun familie. Want vaak biedt de plek in de familie een eerste inzicht in iemands biografie, in wat iemands capaciteiten zijn. Was je oudste thuis? De leider? Of zat je tussen oud en jong in? En was je de bemiddelaar? Zulke eenvoudige vragen kunnen bruikbare informatie geven over wat iemand kan. En over de vraag in wat voor taak zo iemand zich thuis voelt en kan ontwikkelen.’

 

Hard bezuinigingen, hard naar nieuwe wegen zoeken

Op het moment dat de gemeente een tegenprestatie begon te verlangen voor een uitkering en bij weigering tot korten over zou gaan, ontstond er in eerste instantie grote onrust in Bloemhof. En ook bij Fokje zelf. Maar na verloop van tijd overwon ze haar weerstand en ging ze aan de slag om ‘leer/werk-trajecten’ voor haar mensen op poten te zetten. Hoewel ze de motivatie vanuit de gemeente achteraf nog steeds cru vindt (‘ze waren vooral geïnteresseerd in bezuinigen, in de getalletjes, en veel minder in het activeren van mensen met een uitkering’), moet ze niettemin constateren dat er, door die harde eis van bovenaf, iets positiefs in gang is gezet.

 

Nóg meer dan voorheen ben ik op zoek gegaan naar: wat kunnen de mensen? Wat sluit zo goed mogelijk aan bij wat ze al doen? En waarvan ze bewezen hebben het aan te kunnen. Of er in ieder geval vertrouwd mee zijn. Het resultaat is dat we veel mannen aan het tuinieren hebben gekregen, via Creatief Beheer. En voor de vrouwen zijn we dikwijls uitgekomen bij zaken op het gebied van lijnen en gezonde voeding. Simpelweg vanwege het feit dat veel vrouwen daar al mee bezig waren. En daardoor – met een duur woord: intrinsiek – gemotiveerd  om er meer over op te steken.

 

De ‘echte baan’ als diep verlangde hoofdprijs

Natuurlijk ziet de gemeente dergelijk vrijwilligerswerk het liefste omgezet worden in ‘echte banen’, zodat mensen hun uitkering vaarwel kunnen zeggen en de boekhoudkundige sommetjes rond Bloemhof – primaire doelstelling! – een gunstiger aanblik krijgen. Fokje benadrukt, met gevoel voor ironie, dat de mensen om wie het gaat, eenmaal opgenomen in een vrijwilligerstraject, juist door toegenomen zelfvertrouwen dezelfde wens ontwikkelen als de gemeente. En dat behalve de ontwikkeling van deze parallelle verlangens ook het humeur van de mannen en vrouwen in kwestie aanmerkelijk verbetert (‘als je iets doet wat je kan, gaat je humeur met sprongen vooruit, dat kan verbazingwekkend snel gaan’). Maar dan komt de cruciale horde: is die ‘echte baan’, de kroon op al het werk, daadwerkelijk te bemachtigen?

 

Heel moeilijk. Met een uitzendbureau waren we heel ver om een proeftuin in te richten, waar onze vrouwen drie maanden zouden proefdraaien, alvorens op regulier werk te solliciteren. Hoewel de vrouw van het uitzendbureau goed luisterde en zich in de vrouwen leek in te kunnen leven, haalde zij op een goed moment een streep door de plannen. Dan krijg je te horen dat zo’n proeftuin de klanten van het bedrijf te veel tijd kost en dat het uiteindelijk niet “marktgericht” genoeg is. Ja, dan wil je wel even door de grond zakken, als zoiets mislukt.’ 

 

Ups & downs

Fokje is geen wegloper. Ze gaat altijd door (‘ik woon zelf in de wijk en blijf dit werk de komende jaren doen’). En, gelukkig, zijn er af en toe van die even prachtige als noodzakelijke voorbeelden, die haar sterken in wat ze onvermoeibaar aan het doen is. Zoals de Turkse vrouw met een psychiatrische beperking, die soms moeilijk in de omgang is en die anderen, vanwege haar gedrag, graag uit het leer/werk-traject verwijderd hadden gezien.

 

‘Ik blijf dan “nee” zeggen en volhouden: ze hoort erbij! Als ik vervolgens zie dat die vrouw nu geholpen wordt met haar schulden en een baantje heeft bemachtigd in de horeca, dan weet ik dat het in haar geval niet voor niks is geweest.’ 

 

Ondertussen blijft de gemeente beurtelings aanjager, partner en, last but not least, boeman voor de mensen.

 

‘Ik heb moeite met de gretigheid waarmee mensen vanaf 1 januari 2015 op hun uitkering worden gekort. “Als het achteraf onterecht blijkt te zijn, krijgt u het terug,” wordt er dan gezegd. Terwijl juist deze mensen er direct door in de problemen komen. Enfin. Dan slaak ik een diepe zucht en ga voor ze aan het werk.’

 

Nooit moedeloos?

 

‘Nee. Ik geef niet op. Daarvoor ben ik te zeer vergroeid met de mensen uit deze wijk. Maar als je me vraagt, ben je per saldo optimistischer of pessimistischer dan toen ik hier begon, dan zeg ik: pessimistischer. Ik zie de ruimte voor menselijkheid afnemen. Grote bedrijven kijken alleen nog naar winstmarges en steeds minder naar mensen. En de overheid, merk je aan alles, is speelbal geworden. Heeft geen overzicht meer. Dat zeg ik zonder emotie. Het is een feit. Net zoals mensen op topposities bij Wereldbank of IMF geen overzicht meer hebben. We zitten allemaal ergens in het spel, maar we weten niet meer waar. Echter, ik blijf geloven in de goede geest van God die door de wereld waait en die mensen helpt om tot hun waarde te komen. Ik ben blij dat ik met die geest mag meewerken.’

 

Afbeelding / Fokje Wierdsma

 

De serie Stadsiconen is een samenwerking tussen Stadslog en #Veilig010

 

Rubriek Stadsiconen

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel