Zoë Cochia, 'moeder' van Zuid

12-11-2014 12:03

Door Hans van Willigenburg

Onder de titel ‘Stadsiconen’ portretteert Stadslog Rotterdam in maximaal duizend woorden bijzondere Rotterdammers, die niet zo snel de krant halen, nieuws maken, maar wél een belangrijke bijdrage leveren aan hoe de stad van-dag-tot-dag functioneert. En hopelijk, met een extra steuntje van Stadslog, andere Rotterdammers inspireren ook een bijdrage te leveren. In de achtste aflevering Zoë D. Cochia, docente beeldende kunst en ‘moeder’ van jonge allochtonen op Zuid.

 

Zoë D. Cochia is een van oorsprong Roemeense vrouw, die in 1990 vol verwachtingen reisde naar wat toen met een magische blijklank ‘Het Westen’ heette. Haar hele jeugd in het communistische Roemenië, onder dictator Ceausescu, had ze familie en vrienden vol bewondering horen praten over de kunst en de vrijheden in het ‘andere’ deel van Europa. Tijdens haar studie, in de jaren ’80, nam ze dan ook elke gelegenheid in hoofdstad Boekarest te baat om een stukje van de ‘verboden vrucht’ te proeven. En ging ze wanneer het enigszins kon naar westerse cultfilms kijken, zoals de barokke familiedrama’s van Federico Fellini. Door als twintiger vanuit een strikte, Roemeense dictatuur een abrupte overstap te maken naar de liberale democratie van Nederland, heeft Zoë een, laten we zeggen, bijzondere – en voor Nederlandse begrippen wellicht ‘afwijkend’ te noemen – kijk op het grootse begrip ‘Vrijheid’.

 

‘Naarmate ik langer in Het Westen woon, begin ik mijn jeugd in Roemenië steeds meer te waarderen. Ik ben tot de conclusie gekomen dat hoe minder je bezit, hoe gezonder dat is voor je geest. Zaken als toeval, gebrek en onverwachte ontmoetingen maken dat je geest geprikkeld wordt. Ze stimuleren je om te improviseren. Nieuwe wegen te zoeken. Nieuwe beelden. Het houdt je hongerig. Levenslustig.’

 

Dictatoriaal & zorgeloos 

Zoë waarschuwt dat ze ‘boeken vol zou kunnen schrijven’ over wat ze aan avonturen in Roemenië heeft meegemaakt, maar we concentreren ons, voor dit artikel, op de meest komische en inefficiënte periode, zodat duidelijk wordt hoe ánders het Roemenië van voor 1989 was dan het Nederland, of het Rotterdam, van 2014.

 

‘Als afgestudeerd ingenieur werktuigbouwkunde liep ik stage bij de Nationale Spoorwegen, in Transsylvanië, vijfhonderd kilometer ten noorden van Boekarest. Mijn officiële taak was het inspecteren van honderden kilometers spoorlijn. Maar denk je dat er ergens een plan lag? Of dat er streefcijfers bestonden? Of managers, die alles in rapporten moesten vastleggen?’

 

Zoë knijpt haar ogen fijn en barst uit in een zeer aanstekelijke bulderlach. Het is niet zomaar een lach, het is, merk ik later, de scheidslijn die dwars door haar leven en – zo je wilt - haar ziel loopt: de afgepaste wereld van het meet- en berekenbare, van de manager, versus de onbeteugelde gedachtewereld van de ‘vrije mens’, van de kunst. In Transsylvanië werd ze als vrouwelijke stagiaire al snel “Het Bloemetje Van De Spoorwegen” genoemd. En als ‘Bloemetje Van De Spoorwegen” sliep ze op half verlaten stationnetjes. Picknickte ze met de plaatselijke bevolking. En lachte ze zich een ongeluk met al dan niet beschonken conducteurs en machinisten.   

 

‘Ik dééd maar wat!’

 

We leven in een copy-paste cultuur

Ze roept het uit. Keihard. Schaterend. Zonder enige schaamte. Alsof ze de herinnering aan ‘zomaar wat doen’ levend wil houden. Om haar persoonlijke historie te vervolgen: na Zoë’s ‘landing’ in Nederland (‘ik heb talloze baantjes gehad om die eerste jaren zonder kleerscheuren door te komen’) besloot ze Kunstacademie te gaan doen, al vereiste haar portemonnee dat ze ook daarna werkzaam bleef in reguliere banen, onder andere als technisch tekenaar bij het Havenbedrijf. Ze wil niet klagen, maar de druk, de controle, de rendementseisen en de heilige status van procedures die ze zegt te hebben ervaren, doen haar concluderen dat het Roemenië onder Ceausescu in zekere zin meer ontspannen was dan het Rotterdam van nu. En vanuit die opvatting, alsmede haar turbulente levensloop, heeft ze een meer dan speciale band met Rotterdamse jongeren, die, zogezegd, tussen wal en schip vallen.

 

‘We zijn te veel in wat ik noem een ‘copy paste’-cultuur terecht gekomen. Mensen die beslissen over wijken, jongeren, voorzieningen en de verdeling van budgetten, komen niet zelf langs om te zien hoe het ergens toegaat, maar sturen lakeien die met een Excel-sheet in hun achterhoofd naar de werkelijkheid komen kijken. Om vervolgens in voorgedrukte newspeak en met ééndimensionale cijfertjes rapport uit te brengen, zodat elke straat, elke wijk, elk project wordt teruggebracht tot een trucje of maniertje. In  zo’n context is geen plaats voor échte mensen, échte verhalen. En worden jongeren niet gehoord. Niet serieus genomen.’

 

Als ex-bewoner van het communistische Roemenië moet Zoë toch alles weten van elites, die de werkelijkheid ontkennen of negeren?    

 

‘Klopt! Maar in Roemenië wist iedereen van hoog tot laag dat er gemanipuleerd

werd.  Het was zowat folklore. En bijna iedereen maakte er grappen over.  Je kon erom lachen, ondanks het reële gevaar. In Nederland is dat anders. Als je managementrapportages relativeert of onderuit haalt, kan dat sluipenderwijs nadelig zijn voor je loopbaan. Voor je het weet zit je op dood spoor.’

 

Soms kwetsbaar, soms beresterk

Hoewel Zoë van zichzelf docente Beeldende Kunst is, schreef het Excel-sheet voor dat ze nu docente ‘Burgerschap en Loopbaanpraktijk’ heet. In die hoedanigheid is Zoë verbonden aan de wijkschool,  die afgevallen jongeren probeert een weg terug naar werk en maatschappij te laten vinden. Door open te staan voor hun verhalen, door hen serieus bij (soms kunstzinnige) opdrachten te betrekken en haar spontane inborst waar mogelijk de vrije loop te laten, helpt ze die jongeren, voor het merendeel allochtonen, weer ‘contact te maken’ met hun omgeving (‘soms zijn ze bijna volledig gestopt met praten omdat ze mensen in hun nabijheid niet meer vertrouwen’). Het ene moment voelt ze zich kwetsbaar bij die opdracht, het andere moment beresterk.

 

‘Laatst ben ik met de jongeren begonnen T-shirts te maken. Nieuw design. Nieuwe logo’s. Ik zag ineens mogelijkheden om ze te gaan verkopen. Daarin heb ik de leerlingen aangemoedigd. “Misschien zijn er sportclubs, die nieuwe shirts nodig hebben. Ga langs. Vraag het ze!”.  Nu denken ze erover na hoe ze er geld mee kunnen verdienen.'      

 

Omdat Zoë, zolang ze leeft, vastberaden is het vakjes- en hokjesdenken buiten de deur te houden en galerie NIFFO, haar thuisbasis, daarmee tot een ‘vrijplaats’ heeft kunnen uitgroeien, weten jongeren uit heel Rotterdam (‘of ze nu uit Charlois, Delfshaven of Hillesluis komen, maakt niet uit’) Pretorialaan 4B te vinden.

 

‘Laatst ontstond hier een gesprek tussen een jonge Armeniër, Afghaan,  Ethiopiër, Arubaan en Kaapverdiaan. Over cultuur. Over hun levensvisie. Over wat hen inspireerde. Zoiets ontstaat. En is zó waardevol. Daar kun je geen subsidie voor aanvragen.’ 

 

Zoë is de achtste geportretteerde in de serie 'Stadsiconen', waar eerder Marga Zwirs (zangdocente) Giovani Ipcedencia (participatiemakelaar),  Bart Hertog  (wijkschoolcoördinator),  Sonja van Idsinga (volkstuinvrijwilliger), Margi Geerlinks (initiatiefnemer), Bram Legerstee (acteur)  en Sevim Suluki (ouderconsulent) werden bevraagd over hun buitengewone inzet voor de stad. 

 

Afbeelding / Zoë D. Cochia

 

De serie Stadsiconen is een samenwerking tussen Stadslog en #Veilig010

Rubriek Stadsiconen

Hans van Willigenburg

Hans van Willigenburg is een veelvraat. In 1989 debuteerde hij, na een studie literatuurwetenschap, als columnist bij De Volkskrant tussen 'kanonnen' als Remco Campert en Jan Blokk...

Bekijk profiel